Ons eerste Spaanse huwelijk. Als zakelijke partners van de vader van de bruidegom kunnen we niet worden overgeslagen. Eigenlijk kunnen Spaanse novios niemand overslaan, geen oom en geen tante en geen buurvrouw. Dat zal later blijken.

Het is half zeven in de middag als we bij de Iglesia de Nuestra Señora de Rocamador aankomen. De thermometer van de farmacia waar we zojuist langs liepen, vertoonde alleen twee rode knipperende streepjes. Dat gebeurt vaker als de vijfendertig graden zijn gepasseerd. We wachten buiten op het bruidspaar en ondertussen schudden we handen, zoenen we mooi opgemaakte gezichten en maken we praatjes. De vrouwen bewonderen elkaars jurken. ¡Que guapa! is de meest gehoorde uitroep. De naaldhakken fascineren me. Geen vierkante centimeter egale stoep in het hele dorp en toch komen de meisjes waar ze zijn moeten. Naast me in de kerkbank zitten vrouwen te waaieren met hun waaiers. Ik profiteer ervan. Ongemerkt begint de mis. De lagen stof op het prachtige retabel vallen me op terwijl de oude priester zijn verhaal monotoon afdraait. Niemand luistert. Iedereen is met zichzelf of de ander bezig. En toch zit de mis ingebakken. Ze weten precies wanneer te staan, te zitten of te knielen en alle teksten – van het met veel inzet enigszins vals zingende koor – worden meegezongen. De kerkdienst duurt nog geen uur en zelfs tijdens de viering van de eucharistie is de stilte de grote afwezige. Na de dienst volgt het belangrijkste deel van de trouwplechtigheid: de zegen halen bij Nuestra Señora de los Remedios, de beschermheilige van het dorp. Het is een hele onderneming om bij de kapel boven op de berg te komen, maar de familie begeleidt het kersverse echtpaar. Wij gaan vast naar het Convento de San Pedro, het plaatselijke luxe hotel met de allergrootste zalen van de streek, waar we feest gaan vieren. Het is halftien als het hek naar het terras opengaat. De mensen stromen naar binnen. Overal staan bars. De gesprekken gaan over de hoeveelheden voedsel en drank, over wat het allemaal niet kost, over wat ons nog te wachten staat en over wie er wel en niet zijn. Geld speelt geen rol. Het beste van het beste is niet goed genoeg. Tot ieders tevredenheid en onze oprechte verbazing. Ik stel vragen en mijn Spaanse vrienden die daar inmiddels aan gewend zijn,  weten haarfijn uit te leggen hoe de familiebanden in elkaar zitten, dat we jamon van de echte pata negra snoepen en dat ik de kaas uit Carbajo niet mag overslaan. Er wordt met aandacht voor mij gezorgd. Weigeren is moeilijk. Hoewel ik weet dat me nog een heel diner te wachten staat waar nog zo´n 270 andere gasten bij zullen zijn. Oud en jong. De middenstanders, de notabelen en de hele, maar dan ook de hele familie. Behalve dan die ene oom uit Madrid. Hem wordt nog steeds kwalijk genomen dat hij zijn gezin in de steek heeft gelaten.

Om elf uur mogen we de eetzaal in waar de airconditioning op volle toeren draait. Het bruidspaar met ouders zit op een podium zodat ze de zaal kunnen overzien. We zijn ingedeeld aan de tafel van de broers en zus van onze compagnon. Hun kinderen zijn er ook. De jongens zijn gepassioneerde motorsporters. Ze kunnen verhalen over de Grand Prix van Jerez de La Frontera waar ze zijn geweest en waar ze Pedrosa hebben zien winnen. Ze werken in de garage van hun vader. Twee anderen zijn bij de Guardia Civil. De jongen treedt in de voetsporen van zijn vader Manolo en het beeldschone tengere meisje dient in Guadalajara. Ze is geen beginneling blijkt uit haar verhalen. Haar vriend, ook bij de Guardia, kan dat beamen. Manolo zit naast mij.  Hij is een grote, donkere man van tegen de vijftig. Zijn pensioen staat voor de deur. En daar verheugt hij zich op. Hij heeft nog meer grappen en grollen dan anders. Hij is op dreef. De hele tafel ligt regelmatig dubbel. Soms staat hij ineens op, zwaait met zijn servet boven zijn hoofd, gebaart de hele tafel hetzelfde te doen en roept boven alle lawaai en muziek uit: ¡Viva los novios! Alle 269 mensen kijken naar ons, strekken hun armen in de lucht en roepen in koor: ¡Viva los novios! Er wordt geklapt. Dan gaat iedereen weer door met eten en praten. De jeugd slaat de meeste gangen, die in een razend tempo worden opgediend, over. Alleen de langoustines en gambas vallen in de smaak en het toetje. Tegen half één is het diner afgelopen. Toñi, de moeder van de bruidegom deelt persoonlijk cadeautjes uit. Ze wordt geholpen door de bruidsmeisjes. De mannen krijgen een blikje met sigaartjes, de vrouwen een oogschaduwsetje. De cadeautjes zijn gedurende weken met aandacht en liefde ingepakt, dat is te zien en worden nu met inhalige gretigheid uitgepakt, waarna de eetzaal leegstroomt en de danszaal vol. De mannen staan al met volle glazen bij de bar. Het is tijd voor de cuba libres, whisky-cola´s en gin-tonics. Om twee uur wordt eindelijk het dansfestijn geopend door het bruidspaar. In de zwoelte van de avond, buiten op het terras onder de palmbomen, kijken we elkaar met veel begrip aan. Genoeg is genoeg. We sluipen weg richting auto samen met de stokoude tantes van wie nog één een rijbewijs blijkt te hebben en een auto. We helpen ze met instappen.

“Dank je en nu moeten jullie terug om te feesten!” roepen ze ons welgemeend toe.

“Si, si! No te preocupes!” is ons antwoord. We zwaaien tot ze uit ons zicht zijn verdwenen. Dan stappen we zelf in de auto. Met open ramen en de wind in ons haar rijden we naar huis, de nacht in en de stilte tegemoet.