Op 24 juli dit jaar schreef ik een blog over mijn nieuwe werkplek. De aanleiding was het essay van Virginia Woolf over dat onderwerp waarvan de ondertitel luidt:

A woman must have money and a room of her own if she is to write

En geloof het of niet: ik zit weer hoog en droog in huis en toch heeft er een radicale verandering plaatsgevonden.

Maar waarom ik niet blij was? Met een heel appartement voor mezelf. Ruimte voor archief, alles kunnen laten liggen en niemand die me stoort.

In de praktijk liep het anders.

Na een maand van prima schrijfproductie en heen en weer lopen van huis naar appartement over de veranda begon ik iets te voelen van strafoplegging. Ik moest steeds mijn geliefde huis uit om te kunnen werken of schrijven. Weg van mijn mooie uitzicht, weg van de keuken (altijd handig om tussendoor in de pannen te roeren en mijn gedachten de vrije loop te laten), weg van dat enorme bureau waar ik inmiddels toch aan gewend was geraakt. Maar dat was tot daar aan toe.

Vooral dat naar-kantoor-gaan-gevoel, buitenshuis, hoe dichtbij ook, beviel me helemaal niet.

En dat gevoel groeide en groeide. In de avond ging ik helemaal niet meer naar mijn schrijfplek. Dus deed ik niet veel, behalve een boek lezen of tv kijken en Coen zat dan de hele avond heerlijk achter “zijn” bureau. Te genieten.

Maar ja, hoe ga ik nou zeggen dat ik terug wil en dat het beter is dat hij zijn studio heeft in het appartement? Daar moest ik wel een week over nadenken. Want dat doen vrouwen, denken voor een ander. Zou Coen dat wel willen, en dan ook nog opnieuw een verhuizing?

Op een dag zei ik het. Gewoon. Maar wel met een toevoeging: of het misschien een goed idee is dat hij zijn eigen studio heeft waar hij ook nog muziek kan maken. Want dat doen vrouwen ook: manipuleren. Ik generaliseer, ik weet het.

Ik hield even mijn adem in. Dat bleek nergens voor nodig. Coen vond het een uitstekend idee om zijn eigen man’s cave the hebben. De volgende dag alles verhuisd en sindsdien zijn we allebei oer tevreden met deze nieuwe situatie.

“Eigenlijk”, zei ik op een avond tegen Coen, “eigenlijk had ik je dat in het begin al willen voorstellen maar dat durfde ik niet. Vandaar dat ik zei dat ik daar wel ging zitten.”

“Ja, typisch”, antwoordde Coen met een grijns, “als je niet zegt wat je bedoelt, kom je in allerlei omwegen terecht. Als je het me in juli had gevraagd zou ik meteen ja hebben gezegd. Zo heerlijk vind ik het daar.”

Ik ben me na dit avontuur wel bewust geworden dat ik toch nog regelmatig denk voor een ander. Een mens komt dan toch bedrogen uit en doet vooral zichzelf tekort. Dat weet ik al jaren. Het is een ingesleten gewoonte, een natuurlijk reflex die nog steeds niet helemaal verdwenen is. En iedere stap naar bewustwording is er eentje.

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo On Tuesday, een initiatief van Karin Ramaker.