Valencia de Alcántara. Parque de San Pedro.
Even een ijskoud tapbiertje … en 112 zit aan de overkant in de arena.

Wat kan een stroopwafel toch lekker zijn bij een kop thee. Ook als het buiten 40 graden is en binnen 28 met een zacht en koel briesje van de verbazingwekkend stille ventilator. De luiken zijn dicht en alleen het geluid van Coens toetsenbord en het mijne is hoorbaar. Coens bureau is tegenover het mijne. We kunnen elkaar niet zien. De grote beeldschermen verhinderen dat. Als we elkaar in de ogen willen kijken moet een van ons naar links of naar rechts bewegen of gaan staan. 

Zaterdagmiddag is mijn schrijven-aan-mijn-boek-inhaalmiddag (dus schrijf ik nu een blogje), net als zondagmiddag. Dat heb ik zo gepland voor het geval ik me op een van de doordeweekse dagen heb laten afleiden.

Ik heb voor mezelf bedacht dat een boek schrijven werken is. Want zolang ik het beschouw als iets dat ik doe als ik tijd over heb, wordt het verhaal nooit geschreven. Tot aan de Coronatijd werkte ik en deed ik het schrijven erbij. In maart ging de yogastudio dicht. Dat is ruim vier maanden geleden. Dat boek had allang af kunnen zijn. Ik weet het. Die ommezwaai maken, van bijzaak naar hoofdzaak, was op zijn zachtst gezegd een boeiend proces dat onderzoek behoefde.

Wanneer je iets nieuws leert wordt in je hersenen een nieuwe verbinding gemaakt. Er ontstaat een nieuwe spier. Als je dat nieuw aangeleerde heel vaak herhaalt, wordt die spier steeds sterker. Logisch. Met een beetje wilskracht heb je als mens binnen drie tot vier weken iets nieuws aangeleerd en gaat het daarna bijna vanzelf. Wanneer je een oude gewoonte wilt afleren dan kun je je zo voorstellen dat die oude-gewoonte-spier niet zomaar verdwijnt. Die slinkt alleen maar als je hem niet meer gebruikt. Hij vraagt langzaamaan minder aandacht en uiteindelijk is er weinig meer van over. Als je nu een nieuwe gewoonte opbouwt met behulp van je wilskracht dan verzwakt de ander vanzelf. 

Ik heb een dikke, krachtige niet-klein-te-krijgen spier in mijn hersenen die werk voor alles laat gaan. Dat krijg je ervan als je vijftig jaar met weinig onderbreking werkt. Ik zou niet weten hoe het is om niet te werken. Daarom heb ik van schrijven nu mijn werk gemaakt. Maandag tot en met vrijdag in de middag schrijf ik vier uur aan mijn boek. De rest is nu bijzaak geworden. Waarom in de middag? Omdat het hier in de zomer buiten een oven is en in de winter brandt de kachel. Daarbij vind ik het heerlijk om in de ochtend fysiek actief te zijn en buiten. Schrijven is een nogal ongezond beroep en zo houd ik mezelf in balans. Die uitloopdagen in het weekend zijn om flexibel te kunnen zijn. De zoete inval hier is een gegeven. En ik kan je vertellen dat ik met deze verandering in mijn denken uitermate productief ben. Ik ben op de helft. Alleen afgelopen week hè … heb ik me zo vaak laten afleiden door vrienden en allerlei onbelangrijke gebeurtenissen dat ik de week geclassificeerd heb als vakantieweek. Vandaar dat ik nu tijd heb om dit te schrijven.