Liesbeth Steur

lerares hatha-yoga en schrijver

Tag: Portugal Page 1 of 16

Op de fiets

1952, Den Haag, Schenkweg. Mijn moeder Els, ik voorop, Patricia achterop en mijn vader Kees die met ons gaat fietsen maakt de foto.

[English]  [português]

Een fiets met twee kinderzitjes was de normaalste zaak van de wereld. Vroeger. In Nederland. Eentje voor. Voor de jongste. En, eentje achter. Voor de oudste. Waar je als oudste altijd voorop mocht zitten werd je toch mooi van deze plaats weggepromoveerd zodra de tweede kon zitten. Dat was namelijk voor grote kinderen. Daar moest je als oudste dan blij mee zijn. Met als uitzicht de rug van je moeder of van je vader.

Nu ik dit zo schrijf zou dat ook zomaar wel eens een kindertraumaatje extra kunnen zijn. Ik weet het niet. Eerst staan de eerstgeborenen hun unieke plaats af aan een tweede en dan worden ze later nog eens naar achteren gezet.

Maar ik ben de jongste en heb daar dus geen last van. Als jongste heb ik heel andere problemen om te tackelen. En daar gaan we het nu niet over hebben.

Sinds hier een nieuw bedrijfje is gestart dat railbikes verhuurt om het in onbruik geraakte spoor op en neer te fietsen – als plezierig uitstapje – word ik geconfronteerd met een herinnering van heel andere orde. Ook hier is – zoals in de hele wereld – bekend dat Hollanders fietsers zijn en aangezien ook ik uit Nederland kom, denken de Portugezen dat ik fietsen leuk vind.

Toen mijn jongens klein waren, leg ik hun dan geduldig uit, toen fietste ik alles. Verplicht. Door weer en wind. Niet alleen met twee kinderen aan boord maar ook nog met alle boodschappen. Dagelijks.

Van supermarkten en tweede auto was nog niet echt sprake. Wel van de kruidenier, slager en groenteboer op de hoek. Ik heb in die jaren alle straten van Den Haag wel doorkruist.

Mijn stratenkennis was zo goed als die van de klassieke taxichauffeur. Zeker toen kinderen nog allemaal bij elkaar in de straat gingen spelen. Halen en brengen was aan de orde van de dag. Of het nou stormde, regende of niet. Ik heb voor mijn gevoel mijn knieën daarmee stuk gefietst. Of dat waar is? Ik weet het niet. Ik denk van wel. Tegen de tijd dat de jongens alles zelf konden fietsen toen ze zo’n negen jaar oud waren en zelf ook naar de sportclub konden gaan, ben ik opgehouden met dat zware werk en mezelf bezworen dat nooit meer te doen. Het heeft minstens vijf jaar geduurd voordat mijn knieën weer redelijk normaal functioneerden. En gelukkig is dat zo gebleven tot op de dag van vandaag. Dus fietsen is voor mij een gepasseerd station. Ik loop liever kilometers dan dat ik ooit nog een pedaal rond trap.

En dan word ik hier, in the middle of nowhere, geconfronteerd met dat oude besluit. In een land waar fietsen zo impopulair is als de fado zingen in Holland. Iedere keer leg ik weer beleefd uit dat ik een hekel heb aan fietsen. En dan komt iedereen met het advies, dat het leuk is, zo midden in de natuur en dat het niet zwaar is (hoezo niet zwaar, een vals plat omhoog gedurende een uur of zo) en dat je samen fietst. Dus de lasten zijn verdeeld.

Ik hoor de verhalen aan, zie af en toe deelnemers terugkomen en denk dan bij mezelf: echt niet!

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo On Tuesday, een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

De tandarts

De kampong van Babo (Nieuw Guinea)

De wachtkamer van de privékliniek in Portalegre (de hoofdstad van de provincie waar ik woon in Portugal) is smaakvol en modern. Ik wacht op mijn afspraak met de tandarts. Altijd spannend en zeker in een ander land en, bij een nieuwe tandarts. Ik heb last van een kies. Vandaar dat ik daar zit. Ik leid mezelf af door de omgeving in me op te nemen en de paar mensen die ook zitten te wachten sluiks te bekijken. Er zit een vrouw zonder tanden die naar ik vermoed, haar nieuwe gebit komt ophalen. Ik hoop voor haar dat het mooi is. Dan schiet ineens het verhaal van mijn vader over Arie me te binnen. Ik moet onwillekeurig weer lachen. Daar. Zo midden in die wachtkamer. Stel je toch eens voor dat het jou overkomt?

Het is 1939 wanneer mijn vader Kees Steur – een rasechte Haagse jongen – aan de tweede etappe van zijn Indië avontuur begint. Hij wordt samen met de hele boorploeg door de B.P.M. (Bataafse Petroleum Maatschappij, voorloper van de Koninklijke Shell) van zijn eerste standplaats in Nieuw Guinea, in het moeras van de Wiriagar rivier, overgeplaatst naar Babo.

Het is laat in de avond als de boot het haventje van Jef Kassim binnenlopen. Daar moet de nieuwe boorploeg overstappen op een kleine kustvaarder van de BPM zelf, de Moera Boelian. Het tijdschema klopt. Het schip ligt er. Het kan alleen niet uitvaren omdat er onder de lossers en laders een wilde staking is uitgebroken. Dat betekent een extra overnachting. Aan wal zijn geen slaapplaatsen dus worden op het bovendek van de Moera Boelian veldbedden neergezet, compleet met klamboes. De volgende ochtend worden de veldbedden opgeruimd en de luiken geopend voor de nieuwe lading maar de haven blijft doodstil. De staking duurt voort en dat betekent nog een nacht op de veldbedden. De dag brengen ze door bij de enige Chinese toko die het dorp rijk is. Er is genoeg lekker eten en koud bier. De uren kruipen voorbij en ze pokeren, eten en drinken tot laat in de avond met een Amerikaanse boorploeg die ook gestrand is.

“Gelukkig was een van ons zo verstandig om de boel op te breken. Buiten was het stikdonker. Het ontwijken van alle havenobstakels was een hele kunst. Het lukte ons zowaar om het bovendek zonder ongelukken te bereiken. Daar stonden alle luiken nog open. Geen plaats dus voor veldbedden. De brug leek me een goed alternatief. We klommen achter elkaar naar boven en zochten een slaapplek op de kale vloer. Ik sliep net toen een licht gestommel me wakker maakte. Het waren voetstappen. Het duurde even voordat ik mijn ogen open kreeg. Ik zag een schim naar de railing lopen. Het was Arie. Bij de railing boog hij voorover en begon te kotsen. Daarna maakte hij aanstalten om over de railing te klimmen. Ik stond meteen rechtop, rende naar hem toe en kon hem nog net tegenhouden en schudde hem door elkaar. Hij was toch echt van plan te springen. Toen ik hem aankeek, zag ik wat er aan de hand was. Hij wees naar het water. Ik volgde zijn vinger. Arie had niet alleen de krokodillen gevoerd, ook zijn gloednieuwe Hollandse kunstgebit was er achteraan gegaan. De rest van de nacht verliep rustig en na een ontbijt in de Chinese toko waar Arie alleen koffie dronk, werd het voorval naar het hoofdkantoor in Babo doorgeseind. Het advies was om in Babo naar de Chinese tandarts te gaan voor een nieuwe prothese. Dat ging dus nog een dag of wat duren. Eenmaal in Babo werden we afgehaald door de man van personeelszaken die ons rechtstreeks naar de grote baas bracht voor een kennismaking. Dat verliep allemaal prima en zelfs Arie kon zich verstaanbaar maken.

De volgende dag in alle vroegte gingen Arie en ik op pad. Wandelen naar de kampong waar de Chinese toekang gigi (tandarts) praktijk hield. Het pad leidde naar een atap hut (gemaakt van palmbladeren) waarvan de open zijde naar de weg gericht was. Dat bleek de tandartsenpraktijk te zijn. De stoel stond ook naar de weg opgesteld zodat iedereen die langsliep kon zien wat er zich daar afspeelde. Arie en ik wisselden een blik, waarna hij quasi nonchalant zijn schouders ophaalde. Er zat niemand in de stoel. Arie begroette de Chinese tandarts en legde uit wat hij nodig had. De man lachte vriendelijk en verzocht Arie plaats te nemen. Binnen nog geen tien seconden stond de weg vol toeschouwers. Waar die vandaan kwamen? Arie was een opvallende verschijning tussen de Papoea’s. Lang en fors gebouwd, hoogblond haar en een roodverbrande kop zonder tanden. Het publiek was doodstil.

De tandarts had inmiddels een pannetje met water op een primus gezet. Ik wierp een blik in het pannetje en kon een kleine golf van misselijkheid niet onderdrukken. Er lagen roze stukken plastic warm te worden om ze kneedbaar te maken. Ze waren eerder gebruikt. De afdrukken van de vorige patiënt stonden er nog in. Arie zag het zelf ook en vroeg me een fles bier te gaan kopen bij de toko. Daar wilde hij dan zijn mond mee desinfecteren. Toen ik terugkwam en me door de rijen fans van Arie had gedrongen, zag ik dat hij het happen achter de rug had. De spanning bij het publiek was wat afgenomen. Ik gaf hem zijn bier. Hij nam een grote slok en ineens werd het weer doodstil. Hij werd afwachtend aangekeken. Arie begon te gorgelen en te spoelen. De ogen van de toeschouwers werden steeds groter en Arie begon plezier te krijgen in zijn hoofdrol en ging door, zonder zich te realiseren wat koolzuur dan gaat doen. Zijn hoofd werd nog roder en zonder enige waarschuwing spoot het bier uit zijn neus, oren en mond. Het publiek stoof gillend uit elkaar. Ze dachten op zeker een blonde demon voor zich te hebben en in een tijd van niets was er niemand meer. De tandarts moest net zo hard lachen als Arie en ik. Een week later ging Arie terug, alleen, om zijn gebit op te halen. Het paste prima, dat wel, maar het bestond uit kiezen en twaalf muizen- of kindertanden in plaats van zes. Nee, natuurlijk is Arie niet de rest van zijn leven blijven rondlopen met die muizentanden. Korte tijd na dit voorval ging hij naar Makassar op Celebes naar een echte tandarts voor een normaal gebit.”

Saudades


Echt, dit jaar ben ik er niet bij. Niet bij de opening, niet tijdens en ook niet bij de sluiting. De Tong Tong Fair 2019 gaat aan mij voorbij. Met een goede reden. Ik reisde tegen mijn gewoonte in, eind april al naar Nederland. Mijn zus fotografe Patricia Steur ontving een koninklijke onderscheiding van de burgemeester van Amsterdam. Ze werd Ridder in de Orde van Oranje Nassau. En dat grote feest wilde ik niet missen. Gelukkig heb ik een abonnement op Moesson en ben ik Sobat van TTF. Zo blijf ik op de hoogte van het nieuws en het ouds.

Gisteren lag het meinummer van Moesson in mijn postbus. Misschien was het blad er al eerder en ik check mijn postbus alleen als ik er langs rijd op weg naar de grote stad. Mooie cover! Het weekend vind ik wel tijd om te lezen, nu kijk ik er naar in het voorbijgaan en verheug me.

Tong Tong is al lang in mijn leven. Vanaf 1961. Toen kwamen wij in Nederland wonen. We bezochten de Pasar Malam Besar in de Dierentuin van Den Haag. Oprichter Tjalie Robinson kwam thuis bij mijn ouders. Tijdens de Houtrusthallen periode liepen we er modeshows en werkten we als kaartjesknippers bij de bioscoop. We dansten in de Marathon. Ik werkte begin jaren negentig een tijd voor de redactie van tijdschrift Moesson aan de Prins Mauritslaan in Den Haag.

Zelfs in Portugal ben ik nog verweven met Tong Tong en Moesson. Iedere dag ruim ik een asbak op die dateert uit 1976 en van mijn ouders komt. Hij is niet mooi en toch koester ik dat ding. Het is natuurlijk te erg dat ik een roker heb in huis en iedere keer word ik herinnerd aan mijn Indisch zijn. En niet alleen door die asbak. Waar ik woon, in de bergen bij een dorp in het achterland van Portugal, heerst de sfeer die ik ken van het achterland op Java. Riviertjes, vrouwen die de was doen, alles plan plan en tijd om lekker te eten en vooral om in de schaduw te zitten onder het gebladerte van de bomen.

En nu schrijf ik in de middagen in de koelte van mijn huis aan een boek over mijn Indische familie. Ook plan plan. Het archief met brieven is groot en lezen kost tijd. Het verhaal begint vorm te krijgen. Gelukkig heb ik altijd veel gepraat met mijn ouders en veel heb ik, toen ze nog leefden, al geregistreerd. Het blijft toch spannend. Soms ontdek ik dingen die ik niet wist. Geen echte lijken in de kast en wel heel verrassend. Het is niet alleen een kwestie van de puzzel leggen. Soms heb ik tijd nodig om dat wat ik niet wist een plaats te geven. Dan schrijf ik pas verder. Zowel de Tong Tong Fair als tijdschrift Moesson inspireren me altijd om verder te gaan. De geschiedenis wordt volgens mij toch echt geschreven door mensen die het onderwerp zijn geweest van de gebeurtenissen. Hun verhalen zijn goud waard.

Verras jezelf!

522E316C-4C45-49F9-AF7C-0930E4FFFE42 kopie

[Engels]  [português]

Heb je al lang de wens om eens deel te nemen aan een Retreat?

Misschien uit nieuwsgierigheid? Misschien om tot rust te komen of, wie weet om nieuwe wegen te ontdekken en jezelf in een ander licht te zien?

Retreat staat voor retraite. Je gaat je een aantal dagen terug trekken uit je normale leven.

Je gaat naar een andere plekken en doet die dagen van alles dat je normaal niet doet. Dat schept afstand tot je normale leven waardoor je beter kunt zien waar je staat. Er zijn vele soorten retreats. Mediteren in stilte, yoga en meditatie, er zijn psychotherapeutische retreats en in dit geval kun je kennis maken met Taijiquan (Tai Chi Chuan) of je daarin verder bekwamen.

Taiji is een bewegingsleer die de algehele gezondheid bevordert en komt uit China. Het is ontstaan op een stroom met Chinese vechtsporten als Kung Fu en Qi Gong. Het prettige van Taiji is dat je het overal kunt doen en liefst buiten, dat je geen matje nodig hebt of andere attributen, wel een plek om te staan met een beetje ruimte om de vorm (zie hieronder) uit te voeren.

Taiji wordt onderwezen als vorm. Een vorm bestaat uit bewegingen die een begin en een einde kennen en vloeiend in elkaar overgaan. Zo’n vorm wordt vertraagd uitgevoerd. In ieder detail. Denk hierbij aan hoe je voeten neerzet, hoe je je benen gebruikt, waar het gewicht van je lichaam is, het armenwerk, hoe je je ogen gebruikt, je ademhaling; kortom eigenlijk word je je bewust gemaakt van het functioneren van je lichaam en geest.

Omdat deze bewegingskunst wordt onderwezen van meester op leerling en de leerling later zelf meester wordt, bestaan er net zoveel vormen als meesters. Dat kan nogal eens tot verwarring leiden zeker als je YouTube filmpjes gaat bekijken. Laat je niet ontmoedigen door deze filmpjes.

De retreat die ik samen met Eduardo Salvador organiseer vindt plaats in de Alto Alentejo in Portugal. Een streek waar je normaal gesproken niet zo snel komt. We logeren in Guesthouse Trainspot in Beirã, de oude herberg van het treinstation waar in 2010 de laatste trein reed. Beirã ligt midden in het beschermde natuurpark Serra de São Mamede en aan de voet van vestingstad Marvão. De lessen worden gegeven door Rene Goris uit Amsterdam.

Wanneer je komt, zul je een unieke ervaring hebben. De schoonheid van de ongerepte natuur, de immense stilte, het Portugese landleven, de ervaren Rene, de goede verzorging zullen daarvoor zorgen.

Voor de prijs hoef je het niet te laten (€ 595 inclusief logies, lessen en maaltijden). Je hoeft alleen nog een ticket te kopen naar Lissabon en zorgen dat je daar op dinsdag 7 mei rond 16:00 uur staat. Er staat een busje om alle deelnemers naar Beirã te brengen via prachtige wegen door de binnenlanden van Portugal.
Woon je in de buurt en slaap je thuis, dan betaal je € 395.

Stel dat je je inschrijft voor deze retreat. Dan kun je er zeker van zijn dat je veel nieuws leert, dat niets meer is wat het lijkt te zijn en dat je een nieuwe kijk op je leven krijgt. En vooral dat laatste betekent dat je verder kunt groeien.

Heb je vragen, neem dan contact met mij op of schrijf je rechtstreeks in via de website van Alentejo Retreats . Daar kun je ook de aanbetaling doen.

Een paar dagen in Alto Alentejo zijn genoeg voor een verse start. Verras jezelf!

Page 1 of 16

Powered by WordPress & Theme by Anders Norén

%d bloggers like this: