Liesbeth Steur

schrijver in Portugal

Tag: Portugal Page 1 of 17

Rijbewijs


Al heel vaak heb ik mijn rijbewijs verlengd of vernieuwd en altijd zit daar voor mij een lichte spanning. Niet negatief hoor. Meer een spanning die je voelt als je examen moet doen. In mijn achterhoofd speelt de vraag: zou ik wel een nieuwe krijgen?

Dat is natuurlijk nergens op gebaseerd. In mijn geval. Een gang naar het stadhuis of stadsdeelkantoor, aanvraag doen en wachten op bericht dat het nieuwe bewijs klaar ligt. En toch…

Dat rijbewijs is voor mij belangrijk. Al vanaf mijn achttiende. En ik hoop het te mogen behouden zolang als ik leef. Het symboliseert vrijheid. Ik kan gaan en staan waar ik wil. In de hele wereld. Mijn moeder had hetzelfde. Op haar negentigste moest haar rijbewijs worden verlengd na keuring van de arts. Ik was daarbij. Ze doorstond de test met glans. Een overdreven test trouwens.

Tien kniebuigingen maken. Dat kon ze, mijn moeder. Volgens mij zijn er heel veel jongere mensen met een rijbewijs die daar niet toe in staat zijn. Maar soedah. Ze heeft gereden tot op het laatst van haar leven. Uitsluitend in de stad en ze deed het goed. Haar bewegingsvrijheid was haar heilig.

Nu woon ik op het platteland met schaars openbaar vervoer. Dus het rijbewijs is nu helemaal heilig geworden. En ja, ook hier moet ik dat plastic kaartje vernieuwen. Nee, niet vernieuwen. Ik moet mijn Nederlandse rijbewijs dat eind van het jaar verloopt, inleveren voor een Portugese versie. En ik moet gekeurd. De Portugese versie moet ik vanaf nu iedere twee jaar verlengen, omdat mijn leeftijd dat vereist. Ook goed.

Wat anders is, is dit. Bij de aanvraag op het “verkeerskantoor” in de stad wordt daar op dat kantoor ook een pasfoto genomen. Heel praktisch. Je hoeft nergens anders naar toe. Het kantoor is wat vervallen en het meubilair ook. De dames die er werken daarentegen zijn kwiek, bijdehand en hebben improvisatietalent. Van de balie wordt ik geleid naar een kantoortje. Klein. Sleets bureau met dito stoel, old school pc, een kast voor ordners en aan de andere kant van het bureau een stoel tegen de muur gewrongen. TL licht. Op de muur, achter de stoel, is een stuk wit papier vastgeniet. Ik mag op de stoel plaatsnemen. De glazen deur die het kantoortje van de cheffin verbindt met de balie, laat fel licht binnen. Ik zie trouwens nergens een fotocamera. Wel een dingetje dat met een kabeltje aan de pc vastzit. Daarmee gaat het gebeuren. De dame in kwestie doet haar best. Het licht is niet goed. Iedereen wordt gemobiliseerd. De lamellen van de hal waar de balie is, moeten dicht. Het duurt even voordat ze aan het juiste touwtje trekken. De lamellen draaien dicht. Het licht is beter. Ze klikt. De cheffin kijkt mee want ze kan toch niet verder werken op haar computer. Na twee keer klikken verschijnt op beide gezichten een grijns. Het is gelukt. Prachtfoto. Ik mag hem zien, en denk er het mijne van.

Terug bij de balie reken ik dertig euro af voor het nieuwe rijbewijs en ik krijg mijn Nederlandse niet terug. Dat is ook anders. Mijn alarmbellen beginnen te rinkelen. Binnen twee maanden – wordt me beloofd – is de Portugese versie klaar.

Ja? Hoe dan?

Ik krijg een papiertje waarop staat dat ik mag rijden. In Portugal. Geldig tot eind augustus. Als dan het rijbewijs er nog niet is, moet ik terug om het papiertje te verlengen. Ik kan dus niet rijden in Spanje (kan dus niet tanken daar, naar de markt of andere dingen doen) en in geen enkel ander land.

Wat nou, vraag ik, als ik voor een noodgeval naar Nederland moet?

Dan, zegt de vriendelijke dame, kom je hier je Nederlandse rijbewijs even ophalen en als je dan weer terug bent, lever je je rijbewijs hier opnieuw in en krijg jij dat papiertje terug.

Ik kon het niet nalaten een foto te nemen van dat moment.

Ik berust. Ik heb vertrouwen. Alles is goed. Dat is mijn mantra voor de komende maanden.

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo On Tuesday, een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

Op de fiets

1952, Den Haag, Schenkweg. Mijn moeder Els, ik voorop, Patricia achterop en mijn vader Kees die met ons gaat fietsen maakt de foto.

[English]  [português]

Een fiets met twee kinderzitjes was de normaalste zaak van de wereld. Vroeger. In Nederland. Eentje voor. Voor de jongste. En, eentje achter. Voor de oudste. Waar je als oudste altijd voorop mocht zitten werd je toch mooi van deze plaats weggepromoveerd zodra de tweede kon zitten. Dat was namelijk voor grote kinderen. Daar moest je als oudste dan blij mee zijn. Met als uitzicht de rug van je moeder of van je vader.

Nu ik dit zo schrijf zou dat ook zomaar wel eens een kindertraumaatje extra kunnen zijn. Ik weet het niet. Eerst staan de eerstgeborenen hun unieke plaats af aan een tweede en dan worden ze later nog eens naar achteren gezet.

Maar ik ben de jongste en heb daar dus geen last van. Als jongste heb ik heel andere problemen om te tackelen. En daar gaan we het nu niet over hebben.

Sinds hier een nieuw bedrijfje is gestart dat railbikes verhuurt om het in onbruik geraakte spoor op en neer te fietsen – als plezierig uitstapje – word ik geconfronteerd met een herinnering van heel andere orde. Ook hier is – zoals in de hele wereld – bekend dat Hollanders fietsers zijn en aangezien ook ik uit Nederland kom, denken de Portugezen dat ik fietsen leuk vind.

Toen mijn jongens klein waren, leg ik hun dan geduldig uit, toen fietste ik alles. Verplicht. Door weer en wind. Niet alleen met twee kinderen aan boord maar ook nog met alle boodschappen. Dagelijks.

Van supermarkten en tweede auto was nog niet echt sprake. Wel van de kruidenier, slager en groenteboer op de hoek. Ik heb in die jaren alle straten van Den Haag wel doorkruist.

Mijn stratenkennis was zo goed als die van de klassieke taxichauffeur. Zeker toen kinderen nog allemaal bij elkaar in de straat gingen spelen. Halen en brengen was aan de orde van de dag. Of het nou stormde, regende of niet. Ik heb voor mijn gevoel mijn knieën daarmee stuk gefietst. Of dat waar is? Ik weet het niet. Ik denk van wel. Tegen de tijd dat de jongens alles zelf konden fietsen toen ze zo’n negen jaar oud waren en zelf ook naar de sportclub konden gaan, ben ik opgehouden met dat zware werk en mezelf bezworen dat nooit meer te doen. Het heeft minstens vijf jaar geduurd voordat mijn knieën weer redelijk normaal functioneerden. En gelukkig is dat zo gebleven tot op de dag van vandaag. Dus fietsen is voor mij een gepasseerd station. Ik loop liever kilometers dan dat ik ooit nog een pedaal rond trap.

En dan word ik hier, in the middle of nowhere, geconfronteerd met dat oude besluit. In een land waar fietsen zo impopulair is als de fado zingen in Holland. Iedere keer leg ik weer beleefd uit dat ik een hekel heb aan fietsen. En dan komt iedereen met het advies, dat het leuk is, zo midden in de natuur en dat het niet zwaar is (hoezo niet zwaar, een vals plat omhoog gedurende een uur of zo) en dat je samen fietst. Dus de lasten zijn verdeeld.

Ik hoor de verhalen aan, zie af en toe deelnemers terugkomen en denk dan bij mezelf: echt niet!

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo On Tuesday, een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

De tandarts

De kampong van Babo (Nieuw Guinea)

De wachtkamer van de privékliniek in Portalegre (de hoofdstad van de provincie waar ik woon in Portugal) is smaakvol en modern. Ik wacht op mijn afspraak met de tandarts. Altijd spannend en zeker in een ander land en, bij een nieuwe tandarts. Ik heb last van een kies. Vandaar dat ik daar zit. Ik leid mezelf af door de omgeving in me op te nemen en de paar mensen die ook zitten te wachten sluiks te bekijken. Er zit een vrouw zonder tanden die naar ik vermoed, haar nieuwe gebit komt ophalen. Ik hoop voor haar dat het mooi is. Dan schiet ineens het verhaal van mijn vader over Arie me te binnen. Ik moet onwillekeurig weer lachen. Daar. Zo midden in die wachtkamer. Stel je toch eens voor dat het jou overkomt?

Het is 1939 wanneer mijn vader Kees Steur – een rasechte Haagse jongen – aan de tweede etappe van zijn Indië avontuur begint. Hij wordt samen met de hele boorploeg door de B.P.M. (Bataafse Petroleum Maatschappij, voorloper van de Koninklijke Shell) van zijn eerste standplaats in Nieuw Guinea, in het moeras van de Wiriagar rivier, overgeplaatst naar Babo.

Het is laat in de avond als de boot het haventje van Jef Kassim binnenlopen. Daar moet de nieuwe boorploeg overstappen op een kleine kustvaarder van de BPM zelf, de Moera Boelian. Het tijdschema klopt. Het schip ligt er. Het kan alleen niet uitvaren omdat er onder de lossers en laders een wilde staking is uitgebroken. Dat betekent een extra overnachting. Aan wal zijn geen slaapplaatsen dus worden op het bovendek van de Moera Boelian veldbedden neergezet, compleet met klamboes. De volgende ochtend worden de veldbedden opgeruimd en de luiken geopend voor de nieuwe lading maar de haven blijft doodstil. De staking duurt voort en dat betekent nog een nacht op de veldbedden. De dag brengen ze door bij de enige Chinese toko die het dorp rijk is. Er is genoeg lekker eten en koud bier. De uren kruipen voorbij en ze pokeren, eten en drinken tot laat in de avond met een Amerikaanse boorploeg die ook gestrand is.

“Gelukkig was een van ons zo verstandig om de boel op te breken. Buiten was het stikdonker. Het ontwijken van alle havenobstakels was een hele kunst. Het lukte ons zowaar om het bovendek zonder ongelukken te bereiken. Daar stonden alle luiken nog open. Geen plaats dus voor veldbedden. De brug leek me een goed alternatief. We klommen achter elkaar naar boven en zochten een slaapplek op de kale vloer. Ik sliep net toen een licht gestommel me wakker maakte. Het waren voetstappen. Het duurde even voordat ik mijn ogen open kreeg. Ik zag een schim naar de railing lopen. Het was Arie. Bij de railing boog hij voorover en begon te kotsen. Daarna maakte hij aanstalten om over de railing te klimmen. Ik stond meteen rechtop, rende naar hem toe en kon hem nog net tegenhouden en schudde hem door elkaar. Hij was toch echt van plan te springen. Toen ik hem aankeek, zag ik wat er aan de hand was. Hij wees naar het water. Ik volgde zijn vinger. Arie had niet alleen de krokodillen gevoerd, ook zijn gloednieuwe Hollandse kunstgebit was er achteraan gegaan. De rest van de nacht verliep rustig en na een ontbijt in de Chinese toko waar Arie alleen koffie dronk, werd het voorval naar het hoofdkantoor in Babo doorgeseind. Het advies was om in Babo naar de Chinese tandarts te gaan voor een nieuwe prothese. Dat ging dus nog een dag of wat duren. Eenmaal in Babo werden we afgehaald door de man van personeelszaken die ons rechtstreeks naar de grote baas bracht voor een kennismaking. Dat verliep allemaal prima en zelfs Arie kon zich verstaanbaar maken.

De volgende dag in alle vroegte gingen Arie en ik op pad. Wandelen naar de kampong waar de Chinese toekang gigi (tandarts) praktijk hield. Het pad leidde naar een atap hut (gemaakt van palmbladeren) waarvan de open zijde naar de weg gericht was. Dat bleek de tandartsenpraktijk te zijn. De stoel stond ook naar de weg opgesteld zodat iedereen die langsliep kon zien wat er zich daar afspeelde. Arie en ik wisselden een blik, waarna hij quasi nonchalant zijn schouders ophaalde. Er zat niemand in de stoel. Arie begroette de Chinese tandarts en legde uit wat hij nodig had. De man lachte vriendelijk en verzocht Arie plaats te nemen. Binnen nog geen tien seconden stond de weg vol toeschouwers. Waar die vandaan kwamen? Arie was een opvallende verschijning tussen de Papoea’s. Lang en fors gebouwd, hoogblond haar en een roodverbrande kop zonder tanden. Het publiek was doodstil.

De tandarts had inmiddels een pannetje met water op een primus gezet. Ik wierp een blik in het pannetje en kon een kleine golf van misselijkheid niet onderdrukken. Er lagen roze stukken plastic warm te worden om ze kneedbaar te maken. Ze waren eerder gebruikt. De afdrukken van de vorige patiënt stonden er nog in. Arie zag het zelf ook en vroeg me een fles bier te gaan kopen bij de toko. Daar wilde hij dan zijn mond mee desinfecteren. Toen ik terugkwam en me door de rijen fans van Arie had gedrongen, zag ik dat hij het happen achter de rug had. De spanning bij het publiek was wat afgenomen. Ik gaf hem zijn bier. Hij nam een grote slok en ineens werd het weer doodstil. Hij werd afwachtend aangekeken. Arie begon te gorgelen en te spoelen. De ogen van de toeschouwers werden steeds groter en Arie begon plezier te krijgen in zijn hoofdrol en ging door, zonder zich te realiseren wat koolzuur dan gaat doen. Zijn hoofd werd nog roder en zonder enige waarschuwing spoot het bier uit zijn neus, oren en mond. Het publiek stoof gillend uit elkaar. Ze dachten op zeker een blonde demon voor zich te hebben en in een tijd van niets was er niemand meer. De tandarts moest net zo hard lachen als Arie en ik. Een week later ging Arie terug, alleen, om zijn gebit op te halen. Het paste prima, dat wel, maar het bestond uit kiezen en twaalf muizen- of kindertanden in plaats van zes. Nee, natuurlijk is Arie niet de rest van zijn leven blijven rondlopen met die muizentanden. Korte tijd na dit voorval ging hij naar Makassar op Celebes naar een echte tandarts voor een normaal gebit.”

Saudades


Echt, dit jaar ben ik er niet bij. Niet bij de opening, niet tijdens en ook niet bij de sluiting. De Tong Tong Fair 2019 gaat aan mij voorbij. Met een goede reden. Ik reisde tegen mijn gewoonte in, eind april al naar Nederland. Mijn zus fotografe Patricia Steur ontving een koninklijke onderscheiding van de burgemeester van Amsterdam. Ze werd Ridder in de Orde van Oranje Nassau. En dat grote feest wilde ik niet missen. Gelukkig heb ik een abonnement op Moesson en ben ik Sobat van TTF. Zo blijf ik op de hoogte van het nieuws en het ouds.

Gisteren lag het meinummer van Moesson in mijn postbus. Misschien was het blad er al eerder en ik check mijn postbus alleen als ik er langs rijd op weg naar de grote stad. Mooie cover! Het weekend vind ik wel tijd om te lezen, nu kijk ik er naar in het voorbijgaan en verheug me.

Tong Tong is al lang in mijn leven. Vanaf 1961. Toen kwamen wij in Nederland wonen. We bezochten de Pasar Malam Besar in de Dierentuin van Den Haag. Oprichter Tjalie Robinson kwam thuis bij mijn ouders. Tijdens de Houtrusthallen periode liepen we er modeshows en werkten we als kaartjesknippers bij de bioscoop. We dansten in de Marathon. Ik werkte begin jaren negentig een tijd voor de redactie van tijdschrift Moesson aan de Prins Mauritslaan in Den Haag.

Zelfs in Portugal ben ik nog verweven met Tong Tong en Moesson. Iedere dag ruim ik een asbak op die dateert uit 1976 en van mijn ouders komt. Hij is niet mooi en toch koester ik dat ding. Het is natuurlijk te erg dat ik een roker heb in huis en iedere keer word ik herinnerd aan mijn Indisch zijn. En niet alleen door die asbak. Waar ik woon, in de bergen bij een dorp in het achterland van Portugal, heerst de sfeer die ik ken van het achterland op Java. Riviertjes, vrouwen die de was doen, alles plan plan en tijd om lekker te eten en vooral om in de schaduw te zitten onder het gebladerte van de bomen.

En nu schrijf ik in de middagen in de koelte van mijn huis aan een boek over mijn Indische familie. Ook plan plan. Het archief met brieven is groot en lezen kost tijd. Het verhaal begint vorm te krijgen. Gelukkig heb ik altijd veel gepraat met mijn ouders en veel heb ik, toen ze nog leefden, al geregistreerd. Het blijft toch spannend. Soms ontdek ik dingen die ik niet wist. Geen echte lijken in de kast en wel heel verrassend. Het is niet alleen een kwestie van de puzzel leggen. Soms heb ik tijd nodig om dat wat ik niet wist een plaats te geven. Dan schrijf ik pas verder. Zowel de Tong Tong Fair als tijdschrift Moesson inspireren me altijd om verder te gaan. De geschiedenis wordt volgens mij toch echt geschreven door mensen die het onderwerp zijn geweest van de gebeurtenissen. Hun verhalen zijn goud waard.

Page 1 of 17

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén

%d bloggers liken dit: