Liesbeth Steur

schrijver in Portugal

Tag: Portalegre Page 1 of 7

De tandarts

De kampong van Babo (Nieuw Guinea)

De wachtkamer van de privékliniek in Portalegre (de hoofdstad van de provincie waar ik woon in Portugal) is smaakvol en modern. Ik wacht op mijn afspraak met de tandarts. Altijd spannend en zeker in een ander land en, bij een nieuwe tandarts. Ik heb last van een kies. Vandaar dat ik daar zit. Ik leid mezelf af door de omgeving in me op te nemen en de paar mensen die ook zitten te wachten sluiks te bekijken. Er zit een vrouw zonder tanden die naar ik vermoed, haar nieuwe gebit komt ophalen. Ik hoop voor haar dat het mooi is. Dan schiet ineens het verhaal van mijn vader over Arie me te binnen. Ik moet onwillekeurig weer lachen. Daar. Zo midden in die wachtkamer. Stel je toch eens voor dat het jou overkomt?

Het is 1939 wanneer mijn vader Kees Steur – een rasechte Haagse jongen – aan de tweede etappe van zijn Indië avontuur begint. Hij wordt samen met de hele boorploeg door de B.P.M. (Bataafse Petroleum Maatschappij, voorloper van de Koninklijke Shell) van zijn eerste standplaats in Nieuw Guinea, in het moeras van de Wiriagar rivier, overgeplaatst naar Babo.

Het is laat in de avond als de boot het haventje van Jef Kassim binnenlopen. Daar moet de nieuwe boorploeg overstappen op een kleine kustvaarder van de BPM zelf, de Moera Boelian. Het tijdschema klopt. Het schip ligt er. Het kan alleen niet uitvaren omdat er onder de lossers en laders een wilde staking is uitgebroken. Dat betekent een extra overnachting. Aan wal zijn geen slaapplaatsen dus worden op het bovendek van de Moera Boelian veldbedden neergezet, compleet met klamboes. De volgende ochtend worden de veldbedden opgeruimd en de luiken geopend voor de nieuwe lading maar de haven blijft doodstil. De staking duurt voort en dat betekent nog een nacht op de veldbedden. De dag brengen ze door bij de enige Chinese toko die het dorp rijk is. Er is genoeg lekker eten en koud bier. De uren kruipen voorbij en ze pokeren, eten en drinken tot laat in de avond met een Amerikaanse boorploeg die ook gestrand is.

“Gelukkig was een van ons zo verstandig om de boel op te breken. Buiten was het stikdonker. Het ontwijken van alle havenobstakels was een hele kunst. Het lukte ons zowaar om het bovendek zonder ongelukken te bereiken. Daar stonden alle luiken nog open. Geen plaats dus voor veldbedden. De brug leek me een goed alternatief. We klommen achter elkaar naar boven en zochten een slaapplek op de kale vloer. Ik sliep net toen een licht gestommel me wakker maakte. Het waren voetstappen. Het duurde even voordat ik mijn ogen open kreeg. Ik zag een schim naar de railing lopen. Het was Arie. Bij de railing boog hij voorover en begon te kotsen. Daarna maakte hij aanstalten om over de railing te klimmen. Ik stond meteen rechtop, rende naar hem toe en kon hem nog net tegenhouden en schudde hem door elkaar. Hij was toch echt van plan te springen. Toen ik hem aankeek, zag ik wat er aan de hand was. Hij wees naar het water. Ik volgde zijn vinger. Arie had niet alleen de krokodillen gevoerd, ook zijn gloednieuwe Hollandse kunstgebit was er achteraan gegaan. De rest van de nacht verliep rustig en na een ontbijt in de Chinese toko waar Arie alleen koffie dronk, werd het voorval naar het hoofdkantoor in Babo doorgeseind. Het advies was om in Babo naar de Chinese tandarts te gaan voor een nieuwe prothese. Dat ging dus nog een dag of wat duren. Eenmaal in Babo werden we afgehaald door de man van personeelszaken die ons rechtstreeks naar de grote baas bracht voor een kennismaking. Dat verliep allemaal prima en zelfs Arie kon zich verstaanbaar maken.

De volgende dag in alle vroegte gingen Arie en ik op pad. Wandelen naar de kampong waar de Chinese toekang gigi (tandarts) praktijk hield. Het pad leidde naar een atap hut (gemaakt van palmbladeren) waarvan de open zijde naar de weg gericht was. Dat bleek de tandartsenpraktijk te zijn. De stoel stond ook naar de weg opgesteld zodat iedereen die langsliep kon zien wat er zich daar afspeelde. Arie en ik wisselden een blik, waarna hij quasi nonchalant zijn schouders ophaalde. Er zat niemand in de stoel. Arie begroette de Chinese tandarts en legde uit wat hij nodig had. De man lachte vriendelijk en verzocht Arie plaats te nemen. Binnen nog geen tien seconden stond de weg vol toeschouwers. Waar die vandaan kwamen? Arie was een opvallende verschijning tussen de Papoea’s. Lang en fors gebouwd, hoogblond haar en een roodverbrande kop zonder tanden. Het publiek was doodstil.

De tandarts had inmiddels een pannetje met water op een primus gezet. Ik wierp een blik in het pannetje en kon een kleine golf van misselijkheid niet onderdrukken. Er lagen roze stukken plastic warm te worden om ze kneedbaar te maken. Ze waren eerder gebruikt. De afdrukken van de vorige patiënt stonden er nog in. Arie zag het zelf ook en vroeg me een fles bier te gaan kopen bij de toko. Daar wilde hij dan zijn mond mee desinfecteren. Toen ik terugkwam en me door de rijen fans van Arie had gedrongen, zag ik dat hij het happen achter de rug had. De spanning bij het publiek was wat afgenomen. Ik gaf hem zijn bier. Hij nam een grote slok en ineens werd het weer doodstil. Hij werd afwachtend aangekeken. Arie begon te gorgelen en te spoelen. De ogen van de toeschouwers werden steeds groter en Arie begon plezier te krijgen in zijn hoofdrol en ging door, zonder zich te realiseren wat koolzuur dan gaat doen. Zijn hoofd werd nog roder en zonder enige waarschuwing spoot het bier uit zijn neus, oren en mond. Het publiek stoof gillend uit elkaar. Ze dachten op zeker een blonde demon voor zich te hebben en in een tijd van niets was er niemand meer. De tandarts moest net zo hard lachen als Arie en ik. Een week later ging Arie terug, alleen, om zijn gebit op te halen. Het paste prima, dat wel, maar het bestond uit kiezen en twaalf muizen- of kindertanden in plaats van zes. Nee, natuurlijk is Arie niet de rest van zijn leven blijven rondlopen met die muizentanden. Korte tijd na dit voorval ging hij naar Makassar op Celebes naar een echte tandarts voor een normaal gebit.”

Tricky business

Eindelijk, na twee jaar. Ik ben gestopt. Midden op de rotonde; wel langs de stoep. Ik stap uit en met de ondergaande zon van de tweede lentedag op de muur, maak ik een foto van de tekst die daar al tijden staat. De eerste keer zie ik alleen de spellingsfout. Later in het voorbijrijden lees ik verder en denk dat is de tekst van een liedje, maar hoe ik ook zoek op het net, ik kan het niet vinden. En gisteravond toen ik terugreed van de hogeschool in Portalegre naar huis, naar Marvão ben ik dan eindelijk gestopt.

Waarom intrigeert die tekst me? Dat vraag me ik dan als eerste af. Misschien omdat teksten op muren dat altijd doen. Misschien om de inhoud dit keer. Is het een hartenkreet? Of gewoon een statement? Op weg naar zelfkennis een ontdekking gedaan?

Gevoelens hebben in deze woelige tijden veel gewicht. De ratio wordt niet meer vertrouwd. Velen denken opgekropte gevoelens te hebben. En die moeten er allemaal uit. Anders kun je niet zijn wie je bent. Je moet kunnen zeggen wat je voelt. Het maakt daarbij niet uit wat dat met de toehoorder doet. Maar, vraag ik me dan af: wie ben je dan? Ben je dan je gevoelens?

Tricky business.

Ik geloof mijn gevoelens nooit zomaar en zeker niet sinds ik weet dat mijn lichaamsgeheugen een lange-termijn-geheugen is geprogrammeerd door de familiehistorie die ik meedraag in mijn genen en door wat ik tijdens mijn leven door het filter van mijn genen heen als waarheid heb aangenomen.

Gevoelens zijn een reflex. Het is de enige taal die het lichaam spreekt. Je hersenen herkennen iets, je lichaam reageert door een gevoel naar boven te sturen. Reflex. Zoiets als autorijden, je denkt niet meer na bij het schakelen, in spiegels kijken en sturen. Een reflexgevoel is gewoon waar voor jou en áls je het al zou bevragen dan zal het denken met allerlei argumenten dat gevoel rechtvaardigen. Dat is zijn werk en daar is het denken heel goed in.

Ik geloof al sinds klein meisje helemaal niets zomaar. Niets. Ik heb mezelf aangeleerd om mijn gevoelens onder een loep te leggen, voordat ik ze uit. Ik wil zo min mogelijk onzin vertellen en nog liever wil ik een stabiel leven hebben waarin ik op mezelf kan rekenen. Een leven waarin ik met mezelf iedere oorlog kan winnen en alle paarden kan stelen zo ik dat zou willen. Een leven dat niet van links naar rechts slingert. In mijn omgeving heb ik genoeg mensen die Himmelhoch jauchzend, zu Tode betrübt zijn. Vandaag zus, morgen zo. Onrust, echt, om gek van te worden. Maar ja, er zijn ook genoeg mensen die graag willen lijden omdat ze anders niet voelen dat ze leven.

Waarom wordt er zoveel gewicht gegeven aan gevoelens? Ik denk omdat de mensen niet van zichzelf houden. Ze weten niet hoe. Ze voelen oude troep, troep die niet van hen is. En deze jongen (ik denk echt dat een jongen is die tekst op de muur heeft gezet) had ook een gevoel dat de wereld in moest.

Deze blog schreef ik voor de #PHOT (Photo On Thursday) een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

Page 1 of 7

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén

%d bloggers liken dit: