Noa Buiter en de mega kunst

Noa Buiter en de mega kunst

In mijn jeugd riep ik regelmatig: “klein maar fijn, groot maar stom” ter verdediging van mijn Indische lengte. Daarmee had ik de toon gezet voor mijn oordeel over allerlei zaken en mensen. Een zilver schaaltje bijvoorbeeld vond ik niet zo lang geleden nog, eleganter dan een grote schaal. Niet dat die grote lelijker was. Dat niet. Die grote beschouwde ik als onhandig. Gewoon. Omdat die te groot is. Wanneer ik naar schilderijen keek, vond ik de kleine werken uit de zestiende eeuw bijvoorbeeld zo fijn en minutieus geschilderd dat ik die bijna vanzelfsprekend eleganter vond dan wat er nu wordt gemaakt en hedendaagse kunst heet. Eigenlijk dacht ik dat mijn overtuiging “groot staat gelijk aan niet goed” allang verdwenen was uit mijn hoofd totdat ik las dat er in de Onderzeebootloods in Rotterdam door Museum Boijmans van Beuningen een tentoonstelling werd georganiseerd onder de titel XXXL- PAINTING. Dat was vorig jaar en het houdt me nog dagelijks bezig.

Mijn eerste gedachte was dat het nooit interessant kon zijn. Die oude overtuiging bleek dus toch nog ergens diep van binnen te zitten. Wat te doen met die beperkende gedachte? Ik liet die voor wat het was – want wat je geen aandacht geeft kan niet gedijen – en begon het stuk te lezen in de XXXL-krant van Boijmans. Wat Sjarel Ex en Els Hoek schreven, opende mijn ogen. Want wat is een schilderij: het is wat verf op een plank, een lap of op een stuk muur. Of het nou gaat om Rembrandt, Monet of Rothko, het gaat altijd over verf en de drager daarvan. Ex en Hoek verwoordden het zo: … Verf en drager zijn een wereld op zichzelf geworden waarin je als kijker rond kunt dwalen, jezelf kunt verliezen – of juist hervinden. Het materiaal is door de hand van de kunstenaar getransformeerd in op zijn minst een illusie. Soms blijft het verf op een drager en soms wordt het schilderkunst en die verschijnt in alle vormen. Klein en groot. Door de eeuwen heen werden steeds de grenzen van het doek verlegd. En daarmee van de schilderkunst.

De drie kunstenaars van die XXXL tentoonstelling bleken op een schaal te werken die de menselijke maat overstijgt. Alsof ze op de schouders van de schilderkunst staan. En waar kon ik dat beter zien dan toen in de Onderzeebootloods. In die gigantische ruimte in de Rotterdamse haven. Die tentoonstelling liet mij anders naar de wereld van de kunst kijken en naar mezelf. Het vergrootte mijn interesse en waardering voor hedendaagse kunst. Dat was al begonnen toen ik ergens las dat de nu zo gewaardeerde impressionisten in hun tijd verguisd werden. Hun werk week namelijk ook af van wat toen gangbaar was, zoals de hedendaagse kunst nu. Later bleek dat die impressionisten vernieuwers waren. Zij stonden ook op de schouders van de schilderkunst en transformeerden die. Daarmee werden ze deel van het geheel van de Moderne Kunst en waarschijnlijk krijgen de XXXL-kunstenaars over tientallen jaren een zelfde soort plaats toebedeeld. Dat vind ik spannend. Getuige zijn van het begin van iets nieuws.

Deze column werd eerder gepubliceerd in Nouveau Magazine juni 2014