Liesbeth Steur

lerares hatha-yoga en schrijver

Tag: Indisch

Indische tantes

v.l.n.r. tante Cor, mijn moeder Els en haar nichtje Maryse. 1946, Amsterdam

Het was een frisse zomerdag in 1961 toen we haar tegen het lijf liepen. Bij de kruidenier op Scheveningen. Op het hoekje bij de Oranjeflats waar wij toen woonden. Ze was lang en dun en ze had Indische handen zoals mijn moeder. Haar felrode lipstick stak af tegen haar ietwat getinte en blank gepoederde gezicht. Ze droeg een zwierige bloemetjesjurk uit de jaren vijftig en ook haar rode hooggehakte schoenen met plateauzolen dateerden uit die tijd.

De begroeting was allerhartelijkst. De adoeh´s en terlaloeh´s vlogen heen en weer, mijn wangen werden fijngeknepen, de Hollanders in de winkel vielen stil en ik vergat van verbazing adem te halen. Maryse bleek een nichtje van mijn moeder. Ze hadden elkaar voor het laatst gezien vlak na de oorlog in 1946. De verbazing was compleet toen ze vertelde waar ze woonde. In de Alkmaarsestraat bij haar moeder tante Cor. Tijdelijk. Maryse was zo vlak voor de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië, gerepatrieerd.

Het grote huis van tante Cor met zicht op duinen en zee stond propvol en de keuken ook. Potten, pannen, schaaltjes, borden, flesjes, vergieten en wadjans in alle maten en soorten. Daar waar het zo heerlijk geurde, zwaaide Maryse de scepter. Altijd was er wel een klein stukje aanrecht over om te snijden, te hakken en te oeleken.

Regelmatig zat ik op het krukje naast de ijskast gefascineerd te kijken naar hoe ze het klaarspeelde om in die chaos al die rijsttafels te maken. Meestal kwam mijn moeder helpen. Voor een koempoelan van veertig man stonden ze drie dagen lang in de keuken.

Iedere verjaardag was het raak. Saté’s rijgen deden wij, de kinderen, onder strenge leiding van Maryse. Het roosteren deden de mannen in de tuin, met een borrel erbij. De hele avond aten we, kletsten we en werden er sterke verhalen verteld door oom Karel en oom Ton. Tussendoor deden we in die overvolle keuken de afwas. In het razende tempo van knappe tante Wil. Daarbij zongen we Indische klassiekers en het liefst tweestemmig. We lachten en iedereen danste en danste en danste. Altijd.

#PHOT (Photo On Thursday en soms on Tuesday) is een initiatief van Karin Ramaker.

Mijn Indische moeder

Photography Patricia Steur

Photography Patricia Steur

Ze ging met ease and grace. Zoals ze had geleefd. Toen ze stierf, omringd door de hele familie zat ik in het vliegtuig uit Nice waar ik een week had gewerkt. Gelukkig was tussen ons alles gezegd en besproken. Voor zover Indische mensen alles zeggen en bespreken. Ze had 94 jaar geleefd met een open geest. Het leven kwam en zij leefde het met zorgzaamheid, stoutmoedigheid en vasthoudendheid. Het achterlaten van het geliefde Indië en aankomen in dit koude kikkerland was denk ik wel de grootste beproeving in haar leven. Ze kon daar mee leven omdat ze ervan was overtuigd dat je als mens nooit meer krijgt dan je aankunt. Daarna volgde ze haar grote liefde  naar verschillende standplaatsen in de wereld. Jaarlijks verhuisden we. En als we niet binnen een jaar waren verhuisd dan werd de inrichting van het huis wel omgegooid. Liefst deed ze dat vier keer per jaar. Ze speelde tric-trac met de notabelen in de Turkse dorpen waar de hoofdstraat van zand was en op Sicilië werd gebridged om geld met de Siciliaanse vrouwen. Wij woonden zelden ergens waar de doorsnee ex-pat zich bevond. Haar zorgzaamheid gold niet alleen mijn vader, Patricia en mij. Nee. Iedereen die hulp of zorg nodig had was welkom. Van dankjewel wilde ze niets weten. Voor haar was het niet meer dan logisch om het leven van haar medemens te veraangenamen. En, het ging NOOIT OVER HAAR. Het ging altijd over de ander. Ze zei nooit “Ik hou van je”. Ze leefde het. Ze was wars van vals sentiment. Daar had ze trouwens een woord voor: apenliefde. Mam was niet het type dat in haar eentje de jungle zou intrekken maar als ze in een onbekende, bedreigende situatie kwam te zitten dan leefde ze het leven met de middelen die er waren. Haar jaren gedurende de Tweede Wereldoorlog als jongste barakhoofd in de Japanse concentratiekampen in toenmalig Nederlands-Indië zijn daar een voorbeeld van – ze was 24. De Jap had haar de taak gegeven om de bewoners van haar barak, een groep merendeels Hollandse vrouwen met hongerige kinderen onder controle te houden. Dat vraagt om het toppunt van waakzaamheid en heel veel ease and grace. En natuurlijk liet de oorlog ook bij haar een gevoelig litteken achter dat misschien wel allesbepalend was voor de jaren erna. Aan haar wil was niets veranderd. Ze bereikte haar doelen zoals een Indische dame betaamt, met ease and grace.  Want ruziemaken was niet haar stijl. Het was belangrijk om mensen niet tegen je in het harnas te jagen en nog belangrijker was dat je niet alles hoefde te benoemen. Dat ik in Nouveau schrijf heb ik trouwens aan haar vasthoudendheid te danken. Het was namelijk op haar aandringen dat ik in 2010 deelnam aan een columnwedstrijd voor Nouveau, haar sinds jaar en dag favoriete tijdschrift. Vanuit mijn Portugese boerderij stuurde ik schoorvoetend wat columns op. Daarom gaat deze column over haar, de stille kracht van onze familie. Ik kan honderd verhalen vertellen over haar leven. Het archief is er, de verhalen ken ik. Nu nog tijd maken.

Vergelijken

In Nederland dagelijks een boswandeling maken is andere koek dan door bossen en bergen in midden-Portugal. Ik hoef niet meer te klimmen en te dalen met als voordeel dat ik in een prettig wandelritme blijf. De blauwe lucht is hier wat zeldzamer dan daar, dat wel. Hier moet ik me vaak dik aankleden. Daar was midwinter een bodywarmer genoeg. Hier zijn de honden redelijk welopgevoed. Daar bukte ik me regelmatig voor het zogenaamd oprapen van een steen om een loslopende, hongerige en vals geslagen hond uit mijn buurt te houden. Gooien hoefde niet, alleen het opraapgebaar was al genoeg. En als ik de boerderij zag liggen van een afstand, verscholen tussen de olijfbomen en hoge kurkeiken dan bekroop mij een tevreden gevoel. Wanneer ik hier terugkom van de wandeling dan zie ik het appartementsgebouw achter de bomen verscholen en bekruipt me ook een tevreden gevoel. Dat is niet voorstelbaar voor anderen die een droom hebben om ooit eens in het buitenland te wonen. En toch is het zo.

Gisteren liep ik ook door het bos, langs de grote vijver met de eenden en zwanen, over het oer-Hollandse houten gebogen bruggetje en dan linksaf over het verharde fietspad omdat daar in deze tijd van het jaar minder modder is dan op het voetpad. Het viel me op dat het stil was. Soms is dat zo. Dan is er niemand, ook geen mensen met honden en zelfs geen ruisende wind. Mijn voetstappen en de vogels gaven ruchtbaarheid aan het leven. Ik keek naar de lucht. Mijn Indische moeder die sinds 1961 permanent in Nederland woont, zou zeggen: “Wonderlijk, nooit geweten dat er zoveel nuances grijs bestaan”. Dat is een optimistische kijk op het niet kunnen waarnemen van de kleur als het licht van de zon er niet is. Dan lijkt het grijs alle andere kleuren op te slokken. Misschien heb ik dat van haar. Dat optimistische. Want terwijl ik daar loop en alles gehuld zie in grijs, ben ik blij. En ineens weet ik weer waarom ik zo van de winter houd, van storm, regen, woeste wolken en schuimige golven in de grijze Noordzee. Het stemt me tot nadenken over allerlei vooronderstellingen die ik heb. Het geeft me tijd om naar binnen te luisteren en tot nieuwe inzichten te komen. In dit geval over het fenomeen “vergelijken”. Het heeft geen enkele zin. Het leidt tot niets. Iets of iemand verliest namelijk altijd. De vraag of het beter was in Portugal dan hier, kan ik nooit beantwoorden zonder een land tekort te doen. Dat je van grijs weer chagrijnig wordt is ook gebaseerd op een vergelijking. Namelijk dat je daar geen last van hebt als de zon schijnt. Het is een gedachte die zich bij jou heeft genesteld en die hoeft helemaal niet waar te zijn. Daarom is het prettig om af en toe de tijd te nemen die chagrijnig makende gedachten te onderzoeken, want geloof me, de kleur zit bij jou van binnen zoals de zon achter de wolken. En volgens mij wordt die zon echt niet chagrijnig van een grijze wolk. Die blijft onverstoorbaar schijnen.

(deze column verscheen eerder in Nouveau Magazine april 2012)

‘Use well thy freedom’

Mijn Indische moeder

De gewoonte om de weekdagen te benoemen stamt uit het Sanskriet en is dus minstens 5000 jaar oud. De Babyloniërs die ruilhandel dreven met het oude India en omgeving namen die gewoonte mee naar Europa. Vanuit daar ging het als een vuurtje over de rest van de wereld. De namen hebben meestal te maken met goden. In de Romaanse talen is de referentie de zeven hemellichamen die je overdag met het blote oog kunt zien. De zondag staat voor God, de maan voor maandag en de vier andere planeten hadden ieder een eigen god: Mars, Mercurius, Jupiter en Venus. De Germanen deden het niet veel anders. Ze maakten ook gebruik van de zon en de maan en de andere dagen werden vernoemd naar de Germaanse goden Tiwaz, Wodan, Donar en Friia en de zaterdag naar de planeet Saturnus. Allemaal namen dus en geen nummers. De Bijbel gaf me een antwoord. In het Oude Testament bestaat een week ook uit zeven dagen. De wereld werd geschapen in zes en op de zevende dag rustte God uit. En dat was zaterdag. In de Joodse religie: de sabbat. Het christendom nam wel dit concept over maar verschoof de rustdag naar zondag. Hoewel ik in de christelijke traditie ben grootgebracht is voor mijn gevoel zondag de eerste dag van de week. En dat is het voor de Portugezen blijkbaar ook. Waarom noemen ze maandag anders de tweede dag? Zoals de Joden en de Arabieren en, de Russen. Hebben de Portugezen vastgehouden aan de Arabische gewoonte uit vervlogen overheersingen om de weekdagen te nummeren of hebben ze de Bijbel als uitgangspunt gebruikt?

Wat de reden ook is, ik ben het helemaal met de Portugezen eens dat zondag de eerste dag van de week is. De dag waarop ik terugkijk en vooruitkijk om mezelf bij de les te houden. Dat duurt niet de hele zondag hoor. Het is een kleine inventarisatie van wat was en van wat voor me ligt. Was ik tevreden over de week? Zo niet, hoe kan ik het deze week anders doen? Ik heb het niet over de inhoud van taken of werkzaamheden die moeten gebeuren, maar over de manier waarop ik die uitvoer. Over hoe ik ermee omga. Dat vergt wat zelfdiscipline. Zeker zonder dagelijkse deadlines of baan van negen tot vijf waarbij je taken duidelijk zijn. Ik heb in principe alle tijd aan mezelf en ook nog eens de keuze hoe ik die ga invullen. Ik stel mezelf dus doelen die ik bereik door een discipline waarbij ik rekening houd met het ritme van het dagelijks Portugese plattelandsleven. Zoals de eerste dag, marktdag. De zesde dag besteed ik meestal aan huis en grote stad boodschappen. De derde, vierde en vijfde dag vul ik in met werk zoals yogaworkshops, schrijven en wandelingen in de natuur. Zaterdag is om te flierefluiten en dan zijn we weer bij zondag, de eerste dag. Vrijheid genieten kan ik alleen bij de gratie van de beperking. Bestaat die beperking niet en alle keuzemogelijkheden van hoe de dag te leven wel, dan ben ik sneller geneigd mee te gaan in de waan van die dag. Met als resultaat een ontevreden gevoel dat het begin is van een neerwaartse spiraal. Het lijkt dan alsof het denken alle kanten uitzwemt door onrustige en ongedurige wateren.

Ik citeer uit een interview van Pieter Steinz in NRC Handelsblad met de Noord-Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen over zijn nieuwe boek Freedom:

Vraag: Alle personages moeten keuzes maken, in hun persoonlijke leven, in hun carrière, in de politiek. Dat lijkt ze wel te verlammen.

Antwoord: “Allemaal worden ze bedrukt door een enorme vrijheid waarmee ze eigenlijk geen raad weten. Wat niet betekent dat ze beter af zouden zijn in een Sovjet-Unie-achtig land, met lege winkels en een minimum aan keuzestress. Amerika is een land waar nogal wat leugens worden verteld over de vrijheid – door politiek rechts, dat het doordrukken van je eigen wil als het hoogste goed ziet, én door de marketeers van het consumentisme die ons een nogal kinderlijke notie van vrijheid willen aansmeren.”

Vraag: “USE WELL THY FREEDOM” ziet Patty (een personage uit het boek) op een universiteitsgebouw staan.

Antwoord: “Ja, dat was de spreuk die op een van de gevels stond van Swarthmore College, waar ik heb gestudeerd. Gek werd ik ervan, misschien wel omdat het een waarheid als een koe is. De meeste Amerikanen geloven dat het beter is om onverzekerd door het leven te gaan dan te zuchten onder de tirannie van een verplicht ziektekostensysteem. Eenzelfde meerderheid is van mening dat een telefoon beter is naarmate er meer apps op zitten. Maar de gelukkigste mensen die ik ken zijn juist degenen die hele keuze-universa uit het leven hebben verbannen: door geen tv te kijken, door trouw te blijven aan hun partner, door een groot gezin te runnen, door zich gepassioneerd voor iets in te zetten.”

Franzen laat het zijn personages zeggen. Mijn Indische moeder wist het ook al. Daarom leerde ze mijn zus en mij: eerst de plichten, dan het plezier. Maar om het later zélf uit te vinden, zélf te ervaren. Zonder hulp van buitenaf. Om de door je opvoeders opgelegde discipline om te buigen naar een zelfopgelegde, brengt de gewenste vrijheid. Een beperkte keuzevrijheid geeft zoveel focus dat ik er een tevreden en gelukkig mens van word. En iedere zondag, iedere eerste dag, check ik of dat nog zo is.

Powered by WordPress & Theme by Anders Norén

%d bloggers like this: