Langs de weg van Barretos naar Castelo de Vide ligt een steengroeve. Aan de rechterkant. Herkenbaar aan twee hoge pilaren van steen – uit de groeve – met daartussen een hek. De pilaren zijn bewerkt. Ik vind ze lelijk. De groeve ziet er verlaten uit en het doet me denken aan het Wilde Westen. Het glooiende landschap wordt gedomineerd door ongekend grote granieten keien, platen, plateaus en struikgewas. Hier en daar een kurkeik. Het is arm land voor dieren alhoewel geiten zelfs hier blij zijn. 

Laatst zat ik naast Coen in de auto – reed dus niet zelf – en zag voor het eerst dat aan de linkerkant van de weg, dus aan de overkant van de entree – ook gewerkt is. Een prachtige gladde rots van graniet met een grote hap eruit. Gewoon een gat. Het was alsof ik een stomp in mijn maag kreeg. Nou ben ik geen red-de-wereld-mens dat op de bres gaat staan. Dus waarom raakte me dat zo? 

Sindsdien ben ik nog een aantal keer langs die plek gereden en ben gestopt. Om te kijken. Om een foto te nemen. Terwijl ik daar zo stond vroeg ik me af hoe erg het is dat er in de aarde wordt gehakt? Dat wordt al eeuwen gedaan. Die stenen van de piramides in Egypte zijn ook ergens uitgehouwen. Daar staan ook bergen met gaten, want het groeit niet meer aan. Dat is schade voor altijd. Mijn vader boorde naar olie en maakte daartoe diepe gaten in de aarde. Tegenwoordig spuiten ze zelfs water in aardlagen om het gas boven de grond te krijgen. Of om lithium te vinden en allerlei andere grondstoffen voor de digitale industrie. Open mijnen waar kinderen werken die tot hun knieën in het vervuilde en giftige water staan. De hele dag. En dat allemaal voor schone energie, voor batterijen in smartphones en elektrische auto’s en zo. Ik dwaal af. 

Hoe langer ik weg ben uit de stad, hoe groter de natuur. Gewoon, het is het enige dat ik de hele dag om me heen zie. De zon gaat op. De zon gaat onder. De dieren worden wakker en gaan slapen. De kippen leggen eieren. Alle seizoenen komen langs. Het ene met uitbundig bloeiende bloemen, het andere met zwaar beladen olijfbomen en ook de stormen en regens blijven het land niet bespaard. En dan de zomers. Die brengen zo’n kurkdroge hitte dat het een deken lijkt die over alles neerdaalt, ook over het geluid. Iedere stap die ik zet doet stof opwaaien en binnen in huis is het koel omdat het gebouwd is met granieten reuze stenen. Misschien wel uit die groeve. Alhoewel ik dat niet geloof. Ze zijn hier van het land gehaald, want in deze achtertuin van God slingeren genoeg losse rotsen en keien rond. Ze zijn bij het stapelen tot een muur van 60 centimeter dikte een beetje op maat gehakt. En om de boel bijelkaar te houden is bij gebrek aan cement, adobe gebruikt.

Ja, ik denk dat de aarde en de natuur het leven mogelijk maken. En wanneer je gaat hakken of boren in de aarde ben je bezig met de destructie van je eigen habitat. Dat kunnen toch echt alleen mensen. Die moeten altijd meer totdat het niet meer kan. Ik gebruik de natuur als spiegel. Die neemt nooit te veel en geeft soms wel meer dan nodig is. Zeker als je haar een handje helpt met bijvoorbeeld het aanleggen van een moestuin. Door er goed voor te zorgen.