Liesbeth Steur

lerares hatha-yoga en schrijver

Ma grand-mère

1916 – huwelijk van mijn grootouders

Den Haag. Schenkweg 20. (Die straat bestaat niet meer, daar staat nu Babylon). Naast de apotheek. Een grote etalage betimmerd met parket. Allerlei schoonheidsmiddelen uitgestald. Een ovaal glazen bord, precies in het midden opgehangen met daarop in sierlijke gouden letters geschreven: l’Institut de Beauté’. Als ik uit school kwam, tuurde ik met mijn hand boven mijn ogen en neus tegen de ruit, naar binnen of ik Amie of mijn moeder kon zien. Als ze me dan zagen dan zwaaide ik en liep met ingehouden pas zoals mij was geleerd door Amie, de zaak binnen en groette eerste beleefd de klanten. Dan pas Amie en mijn moeder.

Mijn grootmoeder was lang en statig met wit-grijs haar dat golvend in een wrong was gedraaid. Haar ogen waren bijna transparant lichtblauw. Voor mij had ze iets koninklijks. Ik liep altijd in de pas als ze in de buurt was. Ze hoefde eigenlijk alleen maar te kijken. Dat was genoeg.

Overdag werkte ze. ’s Avonds bij haar thuis, ze woonde altijd boven de zaak, dan nam ze de tijd voor je. Ze was geen betuttelende grootmoeder, die knuffelde, verhaaltjes voorlas of met koekjes achter je aan liep. Ze was ook geen uitbundige vrouw. Amie benaderde de kinderen als volwassene; ze luisterde naar je als je wat te vertellen had. Soms woonden we met drie gezinnen met bij elkaar zeven kinderen. Wij waren daar alleen als we drie maanden met verlof in Nederland waren en bezetten dan het achterhuis. We mochten van Amie het hele huis gebruiken – alle etages – en overhoop halen om te spelen als alles maar weer waterpas om zijn plaats werd teruggezet. Wat absoluut verboden was? Tingkah’s (Indisch voor ‘spatjes’).

Ze wordt in 1897 geboren in Zuid-Afrika. (Nederlandse vader en Ierse moeder). Het zijn roerige tijden in dat land. De Boerenoorlogen volgden elkaar op. Na de laatste oorlog vertrekt het gezin via Nederland naar Nederlands-Indië. Daar in Atjeh op Sumatra groeit mijn grootmoeder op. Ze heeft al jong de wens om op eigen benen te staan. In die tijd kon een huwelijk uitkomst bieden. Ze trouwt met een tien jaar oudere man. Dat bracht nogal wat beroering in de familie. Het leeftijdsverschil was een ding. Een ander ding was, dat hij de zoon was van een Nederlandse vader en een Sumatraanse moeder. Een Indischman dus en dat was duidelijk te zien. Ze trouwen toch.

Ze krijgen drie kinderen en als het 1927 is gaat het gezin een jaar naar Parijs. Daar gaat Amie studeren aan de École d’Esthétique Française. Alles wat met kapsels en schoonheid te maken heeft, maakt ze zich eigen. Drie Indische buitenkinderen op een etage in Parijs … Dat is geen sinecure. Meteen na terugkomst opent ze haar eerste zaak. Er zouden er meer volgen. Amie woont het liefst bij de zaak, dan kan ze met de ene hand de zaak leiden en met de ander thuis de scepter zwaaien. Haar man was haar steun en toeverlaat. Naast zijn baan als belastingambtenaar hielp hij op de achtergrond met financiën, import uit de USA van producten enzovoorts.

Na de oorlog, na de repatriëring, na alle ontberingen begint mijn oma opnieuw een zaak. Nu in Den Haag. Opa overlijdt. Dat weerhoudt haar niet om door te gaan. Tot aan haar dood heeft ze gewerkt.

Mijn grootouders waren progressieve mensen. Ik merk uit alles wat ik lees en hoor dat ze een gelijkwaardige relatie hadden, waarin beiden zich op geheel eigen wijze ontwikkelden. Ze waren zorgzaam voor zichzelf en elkaar, het gezin en hun omgeving. En dat zonder enige “apenliefde” (= aanstellerij, aandachttrekkerij, komedie of andere poppenkast).

Ze wisten wat ze wilden. Eigenlijk trokken ze zich niets aan van de gevestigde orde. Ze schopten niet tegen heilige huisjes, ageerden niet tegen politiek of regeringen. Nee, niets van dat alles. Ze wisten toen al dat als je als mens iets wil veranderen in deze wereld, begin dan bij jezelf. Gestaag met de flexibiliteit van bamboe gingen ze door het leven en bereikten wat ze voor ogen hadden. Zelfontwikkeling en zelfkennis stonden voorop, gelijkwaardigheid van man en vrouw volgden daaruit.

Mooi toch dat bijna honderd jaar geleden het leven er zo uit kon zien. Qua vrijheid lijken de tijden veranderd hier in het rijke Westen. Maar is dat zo?

Deze blog schreef ik voor de #PHOT (Photo On Thursday) een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

Previous

Drie musketiers

Next

Het muurtje

7 Comments

  1. coen

    Is dit hoofdstuk 1 of een hoofdstuk? 😉 Boeiend geschreven. XC

  2. ik denk ook inderdaad dat het een smoes is als zeggen ‘we zijn oud’ (en dus kunnen we niet veranderen) of ‘zo was het nu eenmaal’ (de tijd droeg ons op om in de pas te lopen en mee te doen met religie, de rolverdeling man en vrouw.) er zijn mensen van alle tijden die hun eigen ding deden.

  3. mooi en ontroerend geschreven. Je ziet die tijd direct voor je

  4. Het mooie van deze tijd is dat alles bereikbaar is. Wil je een beter mens worden dan manifesteren de tools bijna direct om je heen. Mooi dat je zulke voorouders hebt gehad. En wat leuk dat je zoveel van ze weet.

Laat je een reactie na!?

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Powered by WordPress & Theme by Anders Norén

%d bloggers like this: