Een wipneus

11 januari 2018 9 Door Liesbeth Steur
IMG_0884 kopie

1956, Cinar Hotel, Istanbul. vlnr: Liesbeth, moeder Els en zus Patricia

We staan te wachten. Binnen. In de zon die door de enorme ramen van het hypermoderne gebouw naar binnenstroomt. Het is winter. Mijn zus en ik hebben onze jassen nog aan. Jassen die mijn moeder heeft laten maken in Sicilië toen we daar woonden. Trouwens onze rokjes en bolero’s komen ook van het eiland. Die voel ik ook nog. Ze zijn van vilt gemaakt en hadden bloemetjes applicaties. De mijne is blauw en die van Patricia groen. Denk ik. Dat laatste weet ik niet meer zeker. Het is een gokje. Want ik krijg altijd blauwe kleren – gewoon omdat ik blauwe ogen heb en Patricia groene vanwege haar groene ogen. Die rokjes en bolero’s heeft mijn moeder zelf gemaakt. De jassen zijn licht getailleerd, grijsblauw en de cape heeft een stiksel van wit mohair. Dat is zacht. Mijn moeders jurk is ook van het eiland. Een pied-de-poule ruitje met glinsterende zwarte knopen. Zij heeft trouwens rood haar. Van nature. Dat kun je niet zien op de foto.

We wonen vermoedelijk net een jaartje in Istanbul, na een paar Sicilië. Zeg maar rond 1956. We passen die kleren tenslotte nog. We wonen eigenlijk iets buiten Istanbul in een gloednieuwe woonwijk. Tegenover de Zee van Marmara. Daar is een strand. En aan dat strand staat een gloednieuw, voor die tijd hypermodern hotel. Het Cinar Hotel. En in dat hotel staan we te wachten. Op mijn vader. Ik hang er een beetje bij. Mijn super elegante moeder kan dat niet echt waarderen. We zijn op sjiek. We gaan daar dineren. Mijn vader is heel veel weg en als hij dan thuis is, is het een feestje.

Tijdens dat wachten gebeurt er iets bijzonders. Er loopt een lange man voorbij. Van de bar naar de eetzaal. Ik zie hem nog voor me; als de dag van gisteren. Die herinnering is zo helder als glas. Hij is dus lang en ook slank, heeft golvend haar dat met moeite naar achter is gekamd en hij heeft een lichte tred. In zijn donkerblauwe pak met spierwit overhemd loopt hij voorbij. We kijken hem gedrieën na. Wat moet je anders als je staat te wachten. Op het moment dat hij voorbij loopt begint mijn moeder zachtjes een ouderwets ooit beroemd liedje te zingen: “Een wipneus en een kersenmond”. Patricia en ik moesten giechelen maar die giechel verstomde toen de sjieke man stopte, zich omdraaide, ons aankeek en zei: “ Vindt u?” Hij lachte zijn rechte tanden bloot.
Onze harten staan stil van schrik. Hier op deze plek zijn nooit Nederlanders. Nooit. In de jaren vijftig van de vorige eeuw. Wat nu? Hoe redt mijn moeder haar gezicht? Ik kijk naar haar terwijl de man op ons af komt lopen.

“Kennis maken?” hij steekt zijn hand uit. Mijn moeder de hare ook.
Hij zegt: “Ik ben Barend van Tussenbroek”.
“En ik Els Steur en dit zijn mijn dochters …” ze prevelt nog een excuus … Hij moet weer lachen. Wanneer zijn lach zich terugtrekt begint hij haar heel serieus aan te kijken en bestudeert haar gezicht. Er valt een stilte. Totdat hij zegt:
“Els?”
“Ja.”
“Ben jij niet Elsje uit Bandoeng?”
“Ja.” Ze kijkt verbaasd.
En ineens gaat haar een licht op. Barend is altijd een goed vriendje geweest van haar  broertje Arti.
Ze moeten allebei uitbundig lachen. Hebben elkaar sinds de inval (1942) van de Japanners in toenmalig Nederlands-Indië niet meer gezien.
Dan verschijnt mijn vader eindelijk. En dat is een garantie voor een avondlang feest.

Epiloog:
Barend was KLM piloot en de crews van de KLM logeerden altijd in het Cinar Hotel. En die crews kwamen regelmatig rijsttafel eten bij mijn ouders. Een vriendschap van tientallen jaren volgde, tot aan de dood van Barend. Trouwens, het Cinar Hotel bestaat nog steeds.

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo on Thursday, een initiatief van Karin Ramaker. De PHOT is een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema, met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.