Liesbeth Steur

schrijver in Portugal

Categorie: 1000 woorden

‘Use well thy freedom’

Mijn Indische moeder

De gewoonte om de weekdagen te benoemen stamt uit het Sanskriet en is dus minstens 5000 jaar oud. De Babyloniërs die ruilhandel dreven met het oude India en omgeving namen die gewoonte mee naar Europa. Vanuit daar ging het als een vuurtje over de rest van de wereld. De namen hebben meestal te maken met goden. In de Romaanse talen is de referentie de zeven hemellichamen die je overdag met het blote oog kunt zien. De zondag staat voor God, de maan voor maandag en de vier andere planeten hadden ieder een eigen god: Mars, Mercurius, Jupiter en Venus. De Germanen deden het niet veel anders. Ze maakten ook gebruik van de zon en de maan en de andere dagen werden vernoemd naar de Germaanse goden Tiwaz, Wodan, Donar en Friia en de zaterdag naar de planeet Saturnus. Allemaal namen dus en geen nummers. De Bijbel gaf me een antwoord. In het Oude Testament bestaat een week ook uit zeven dagen. De wereld werd geschapen in zes en op de zevende dag rustte God uit. En dat was zaterdag. In de Joodse religie: de sabbat. Het christendom nam wel dit concept over maar verschoof de rustdag naar zondag. Hoewel ik in de christelijke traditie ben grootgebracht is voor mijn gevoel zondag de eerste dag van de week. En dat is het voor de Portugezen blijkbaar ook. Waarom noemen ze maandag anders de tweede dag? Zoals de Joden en de Arabieren en, de Russen. Hebben de Portugezen vastgehouden aan de Arabische gewoonte uit vervlogen overheersingen om de weekdagen te nummeren of hebben ze de Bijbel als uitgangspunt gebruikt?

Wat de reden ook is, ik ben het helemaal met de Portugezen eens dat zondag de eerste dag van de week is. De dag waarop ik terugkijk en vooruitkijk om mezelf bij de les te houden. Dat duurt niet de hele zondag hoor. Het is een kleine inventarisatie van wat was en van wat voor me ligt. Was ik tevreden over de week? Zo niet, hoe kan ik het deze week anders doen? Ik heb het niet over de inhoud van taken of werkzaamheden die moeten gebeuren, maar over de manier waarop ik die uitvoer. Over hoe ik ermee omga. Dat vergt wat zelfdiscipline. Zeker zonder dagelijkse deadlines of baan van negen tot vijf waarbij je taken duidelijk zijn. Ik heb in principe alle tijd aan mezelf en ook nog eens de keuze hoe ik die ga invullen. Ik stel mezelf dus doelen die ik bereik door een discipline waarbij ik rekening houd met het ritme van het dagelijks Portugese plattelandsleven. Zoals de eerste dag, marktdag. De zesde dag besteed ik meestal aan huis en grote stad boodschappen. De derde, vierde en vijfde dag vul ik in met werk zoals yogaworkshops, schrijven en wandelingen in de natuur. Zaterdag is om te flierefluiten en dan zijn we weer bij zondag, de eerste dag. Vrijheid genieten kan ik alleen bij de gratie van de beperking. Bestaat die beperking niet en alle keuzemogelijkheden van hoe de dag te leven wel, dan ben ik sneller geneigd mee te gaan in de waan van die dag. Met als resultaat een ontevreden gevoel dat het begin is van een neerwaartse spiraal. Het lijkt dan alsof het denken alle kanten uitzwemt door onrustige en ongedurige wateren.

Ik citeer uit een interview van Pieter Steinz in NRC Handelsblad met de Noord-Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen over zijn nieuwe boek Freedom:

Vraag: Alle personages moeten keuzes maken, in hun persoonlijke leven, in hun carrière, in de politiek. Dat lijkt ze wel te verlammen.

Antwoord: “Allemaal worden ze bedrukt door een enorme vrijheid waarmee ze eigenlijk geen raad weten. Wat niet betekent dat ze beter af zouden zijn in een Sovjet-Unie-achtig land, met lege winkels en een minimum aan keuzestress. Amerika is een land waar nogal wat leugens worden verteld over de vrijheid – door politiek rechts, dat het doordrukken van je eigen wil als het hoogste goed ziet, én door de marketeers van het consumentisme die ons een nogal kinderlijke notie van vrijheid willen aansmeren.”

Vraag: “USE WELL THY FREEDOM” ziet Patty (een personage uit het boek) op een universiteitsgebouw staan.

Antwoord: “Ja, dat was de spreuk die op een van de gevels stond van Swarthmore College, waar ik heb gestudeerd. Gek werd ik ervan, misschien wel omdat het een waarheid als een koe is. De meeste Amerikanen geloven dat het beter is om onverzekerd door het leven te gaan dan te zuchten onder de tirannie van een verplicht ziektekostensysteem. Eenzelfde meerderheid is van mening dat een telefoon beter is naarmate er meer apps op zitten. Maar de gelukkigste mensen die ik ken zijn juist degenen die hele keuze-universa uit het leven hebben verbannen: door geen tv te kijken, door trouw te blijven aan hun partner, door een groot gezin te runnen, door zich gepassioneerd voor iets in te zetten.”

Franzen laat het zijn personages zeggen. Mijn Indische moeder wist het ook al. Daarom leerde ze mijn zus en mij: eerst de plichten, dan het plezier. Maar om het later zélf uit te vinden, zélf te ervaren. Zonder hulp van buitenaf. Om de door je opvoeders opgelegde discipline om te buigen naar een zelfopgelegde, brengt de gewenste vrijheid. Een beperkte keuzevrijheid geeft zoveel focus dat ik er een tevreden en gelukkig mens van word. En iedere zondag, iedere eerste dag, check ik of dat nog zo is.

De Haagse ooievaar

“Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaer”, staat op de sokkel van het standbeeld van Louis Couperus aan het Lange Voorhout in Den Haag. Iedere keer als ik daar langsliep kon ik dat beamen. En als ik op een bankje zat aan de Vijverberg met zicht op het eilandje met het ooievaarsnest in het decor van het Binnenhof was dat gevoel compleet. Zeker als de ooievaars op hun nest zaten. Hun geklepper betekende dat de winter voorbij was en de glimlach weer terug op het gezicht van de toevallige voorbijganger.

Het geklepper nodigde ook uit om een praatje te maken met iemand die de eenden aan het voeren was of om gewoon stil te zitten en te luisteren naar deze vogels. Het gerinkel van de tram die de bocht omgaat, verdween dan naar de achtergrond. Het dagelijks leven was ineens een film zonder geluid en het geklepper drong door iedere porie naar binnen. Die fractie van bewust “zijn” gaf me vleugels voor de rest van de dag.

Vijf jaar geleden verhuisde ik naar een plek waar ik bij aankomst werd getrakteerd op Haags geklepper. Niet van twee of vier of zes ooievaren. Nee, vanaf iedere kerktoren, elektriciteitsmast, kruisbeeld of dak werd ik toegeklepperd. Ik wist niet wat ik zag. Overal waar ik kwam in Extremadura zaten ze en altijd op de hoogste punten in hun wat rommelig ogende nesten, gebouwd van takken, plastic zakken en ander welvaartsafval. Iets buiten Cáceres is zelfs een ooievaarspark te vinden op de plek waar vroeger een grote boerderij stond. Het boerengezin verzorgde iedere ooievaar die langskwam totdat het terrein aan de gemeente werd verkocht. Er staat nu een verbazingwekkend mooi hotel en vele tientallen palen met ooievaarsnesten. Van veraf riep het bij mij de eerste keer een beeld op uit de Middeleeuwen. Geboefte werd buiten de stad aan palen gehangen, als prooi voor de natuur en als afschrikwekkend voorbeeld voor wat slecht volk, dat de stad wilde aandoen voor een bezoekje, te wachten stond.

Het dakterras van ons appartement in het dorp waar we toen woonden bood zicht op al die nesten en het leven van de ooievaar.

“Het lijken wel twee werelden”, zei mijn man op een middag toen we heerlijk in de warme winterzon zaten.

“Die van ons op de grond en die van hen, hoog boven ons. Ze kijken op ons neer en gaan geheel hun eigen gang. Ze klepperen maar raak, ze bevuilen gevels en straten met hun afval, want hun eigen nest houden ze schoon. Ze vliegen af en aan met bouwmateriaal voor hun tijdelijke huisvesting en voor zover ooievaars dat doen, zweven ze zomaar lekker rondjes op de thermiek. En dat alles in afwachting van de kleine ooievaars die gaan komen.”

Ik kijk hem aan. “Ga door”, nodig ik uit. “Snap jij dat nou? Hoe zo´n ooievaarsgezin het uithoudt op ongeveer een vierkante meter. Kijk, zolang er niet gevlogen wordt is het te doen met zijn vieren op dat platformpje. Maar het kroost moet wel eten, dus moet er worden uitgevlogen. Kijk, daar! Daar vertrekt er één. Die gaat zijn vleugels uitslaan. Kijk dan, die spanwijdte van zeker twee meter! En die luchtverplaatsing die dat voortbrengt. Heb je enig idee? Ik zou verwachten dat de thuisblijvers inclusief het nest de weg van de zwaartekracht gaan. Maar nee, je ziet het met eigen ogen, ze blijven uit de wind en op het nest en het nest op zijn plek.” Ik knik instemmend en vraag me af waar zijn belangstelling vandaan komt. “Het is echt een wonder wat daar gebeurt”, gaat mijn man verder. “Weet je nog dat ik vlieglessen had in een ultra-light?” “Ja?” “Vergelijk dat nou eens met een ooievaar. Een ultra-light is uitgerust met een Solex motor en is net groot genoeg voor twee personen. Les één is: vliegen is niet moeilijk en opstijgen ook niet. Mist, onweer, nacht en andere ongemakken buiten beschouwing gelaten. Het moeilijkste is landen. Dat is mijn ervaring tenminste. Als je eenmaal van de aarde los bent, heb je geen idee meer van de afstand tot de grond. Maar bij het landen moet je dat wel weten. Vaak dacht ik: ik ben er, en dan zat er nog een paar meter tussen mijn vliegtuigje en de grond. Teveel voor een zachte landing. Dus gas erop en doorstarten in plaats van doodvallen. Ooievaars verstaan de kunst van opstijgen en vliegen bijzonder goed. Maar kijk eens hoe ze landen. Het gaat niet altijd in één keer goed. Let op, daar komt er één aan. Zie je, zijn snavel, hals, lichaam en poten zijn horizontaal gestrekt. Nu zet hij de landing in. Zie wat hij doet. Hij buigt snavel, hals en lichaam tot een omgekeerde V en zijn poten hangen er nu vertikaal onder. Als een landingsgestel.”

“Het lijkt wel een Concorde met zijn afhangende neus en fragiele wielen op pootjes”, zeg ik verbaasd. Om me heen zie ik ineens allemaal landende ooievaren. Het was me eerder nooit opgevallen. We volgen met spanning een andere ooievaar. Hij zit in een glijvlucht en ziet zijn nest. Dan volgt de Concorde-knik. De vleugels zijn hol uitgespreid. Hij laat zich als een parachute drijven in de richting van het nest. Daar ontstaat ineens veel tumult. Alsof ze hem willen waarschuwen. Hij maakt zonder zichtbare aarzeling een doorstart, slaat met zijn vleugels om weer op hoogte te komen en zet de landing gewoon opnieuw in. Hij landt. Missie volbracht.

De jongen gaan dat allemaal nog leren en ik heb gezien dat dat goed komt. Het basisprincipe zit er al vroeg in: bij twijfel niet tóch proberen, maar doorstarten en opnieuw landen. Ik wou dat ze dat met het logo van Den Haag hadden gedaan. De ooievaar, meester van het luchtruim en daarmee wonder van de natuur, heeft in 2008 plaats moeten maken voor een vlieger. Een speeltje in de wind gestuurd door mensenhanden. De vluchtigheid ten top die misschien wel symbolisch is voor Haagse bestuurlijke zaken.

De fantast

Kees bij Florencia in Den Haag

Kees bij Florencia in Den Haag

Toen wij ons in 1962 in Nederland vestigden, werd mijn vader zoals alle burgers doorgelicht in de TBC-bus. Ze vonden een vlek op zijn linkerlong. Het was het litteken van het longschot vlak boven zijn hart dat hij in de Tweede Wereldoorlog opliep in voormalig Nederlands-Indië. Hij moest ieder half jaar terugkomen omdat de TBC-arts het niet vertrouwde. Ongeveer vijftien jaar later werd geconstateerd dat de vlek groeide. Diagnose: TBC. Mijn vader en naaste familie kregen dozen vol met pillen; zelfs mijn kleine kinderen van drie en vijf die wekelijks met opa op avontuur gingen. Mijn vader werd ziek van die pillen, verloor gewicht, belandde in de ziektewet en na een jaar van behandelen bleek de vlek niet weg te zijn. Nu was de voorlopige diagnose: longkanker. Paniek. Die dag rookte hij zijn laatste sigaret. Hij ging het ziekenhuis in, kreeg allerlei onderzoeken waaronder ook een longpunctie in die linkerlong vlak boven zijn hart. Definitieve diagnose: longkanker, nog niet uitgezaaid. Een long verwijderen leek een goede ingreep. Uit voorzorg. Ik vroeg mijn vader te wachten met het laten weghalen van de long en eerst een antroposofische therapie toe te laten passen. Dat deed hij. Na een jaar was de vlek ingekapseld. De longarts vond het vreemd en baseerde het op toeval. Bij iedere controle bleek de vlek te zijn verkleind tot uiteindelijk de grootte van het litteken. Dat was toen het goede nieuws. Het slechte nieuws was dat de longpunctie zijn oorlogsherinneringen had terugbracht en daarmee zijn trauma. Wanneer ik terugkijk, realiseer ik me dat hij vanaf die tijd vaker achteruit dan vooruit keek. Daarmee groeide zijn haat tegen de Japanners.

Tien jaar gingen redelijk zorgeloos voorbij. Hoewel hij sluipend langzaam minder lucht kreeg. In 1992 werd longemfyseem geconstateerd. Een eerste prednisonkuur volgde. Vanaf die tijd ging het zichtbaar bergafwaarts. Zijn conditie werd minder en mijn moeder zorgde voor hem zoals altijd.

In de zomer van 1996 werd hij acuut opgenomen vanwege benauwdheid. Hij kreeg allerlei kuren, liep in het ziekenhuis een longontsteking op en kwam op de beademing terecht. Ging hij nu echt dood? Ik was een boek over hem aan het schrijven en had dat natuurlijk laten liggen. Er waren nog zoveel zaken niet besproken. Gelukkig bleef hij leven. Na twee maanden ziekenhuis en steeds weer binnenstebuiten te zijn gekeerd, werd hem verteld dat hij maagkanker had. We waren verbaasd. Mijn vader had nog nooit last van zijn maag gehad en at sinds zijn 24ste sambal bij alle maaltijden en dronk sinds die tijd ook jenever: het beste antimalariamiddel   volgens de BPM-arts. Ineens had mijn vader zijn buik vol van al die artsen. Hij wilde naar huis en in zijn eigen bed doodgaan. De discussie in het ziekenhuis liep hoog op. De longarts vond het onverantwoordelijk wanneer mijn moeder de verzorging op zich zou nemen. Ze moest ook aan zichzelf denken. Mijn moeder is fysiek een fragiele vrouw bij wie osteoporose al jaren eerder zijn werk had gedaan. Mentaal wint zij het van iedereen. Mijn vader in een verpleeghuis? Dan moest eerst zij dood. Met medewerking van longarts en ziekenhuismedewerkers was er binnen een week thuiszorg en alle hulpmiddelen die mijn vader nodig had voor een aangename laatste maand. En zo verliep het niet. Hij werd weer de “oude”. Hij dronk weer een borrel, vertelde als vanouds zijn sterke verhalen, had zoals altijd plezier en van de Japanner bleef niets meer heel. Zijn focus op de f 7.500,– van de regering ter compensatie van al het oorlogsleed, werd steeds scherper.

Ik werkte gestaag verder aan het boek over hem. Ik stelde hem veel vragen en hij antwoordde zonder moeite. Gezellig een borrel erbij en de verhalen stroomden. Het was altijd lachen geblazen. Zijn humor en verhalenbron waren onuitputtelijk. Hij was een fantastische verteller en altijd in voor practical jokes. Maar zodra het onderwerp serieus werd, verloor hij zijn oog voor detail samen met zijn gevoel voor humor. Zijn manier van vertellen werd dan mechanisch.

De achteruitgang van zijn gezondheid was niet te stuiten. Mijn vader werd ‘een man van de dag’. Hij had nog een paar ziekenhuisopnames wegens infecties of valpartijen waarbij de wonden gaapten en bleven bloeden. Mijn moeder was onvermurwbaar. Steeds weer kwam hij thuis.

In januari 2000 werd hij 84. Still going strong. Zijn wil om te leven was enorm. Was het om die f 7.500,– genoegdoening of om mij de tijd te geven de moed te vatten hem te vragen over de dood. Het liet me niet los, alleen het lef ontbrak me, bang als ik was om ‘dichtbij’ te komen. Toch wist pa volgens mij als geen ander hoe de dood aanvoelde. Hij was er bij de Japanner vele malen aan ontsnapt; ziekten en ontberingen kregen hem er niet onder. Ook later in zijn leven overleefde hij hachelijke situaties.

In april kreeg ik een discussie met hem over de Japanse keizer die naar Nederland zou komen. Hij wond zich verschrikkelijk op. Hij was woedend. Ik vroeg hem wat voor zin het had je zo op te winden. Ik wilde zijn oorlog niet. Zelden had ik pa in zo’n staat van extreme kwaadheid gezien. Ik ging dat gesprek niet met hem aan om hem boos te maken. Ik wilde het alleen relativeren. Nadien leek hij nog sneller achteruit te gaan. Zijn hart werd zwakker. Medicijndoses werden verhoogd. Hierdoor en door het gebrek aan zuurstof ging hij hallucineren. Ook daartegen bestaan medicijnen. Gelukkig, want mijn moeder deed geen oog meer dicht door al het verschrikkelijks dat hij al hallucinerend vertelde. De huisarts kwam iedere dag en had een hotline met de longarts. Thuiszorg deed alles binnen haar macht. Hij werd rustig.

Toen vatte ik opnieuw moed. Ik ging bij hem zitten. Ik wachtte op het juiste moment voor het stellen van die ene vraag: wat is er na de dood? Hij mocht van mij alleen uit het leven stappen wanneer hij zijn oorlog kwijt was.

“Niets”, antwoordde hij op mijn vraag.

“Een groot zwart gat en dan niets meer.”

“Ben je bang om dood te gaan?”

“Nee, maar ik vind het leven zo leuk.”

Ik vertelde hem hoe ik denk over de dood. Al die tijd keek hij me aan met zijn donkerbruine pretogen en moest toen lachen. Met enige spot – of was het ongeloof – in zijn stem zei hij:

“Fantast!”

Hij werd in de dagen die volgden steeds rustiger en wanneer hij helder was, zag ik zijn vrede groeien. In comateuze toestand sprak ik rechtstreeks vanuit mijn hart met zijn hart via onze handen die elkaar vasthielden. Een transformatie werd zichtbaar. Hij straalde Liefde uit. Alle boosheid was weg. Ik was in de war en verwonderd. De hele familie kwam langs. Ook zijn achterkleindochter van drie maanden. Toen hij haar zag was de transformatie compleet. Hij straalde niet alleen Liefde, hij was het. Die nacht vertrok hij. Mijn moeder, mijn zus en ik hielden hem vast en lieten hem los.

Mijn leven is nooit meer hetzelfde geweest. Mijn stoere, nuchtere Hollandse vader die wars was van alles dat niet tastbaar was, heeft door zijn dood mijn hart geopend. Zijn stervensproces en transformatie hebben mij twee inzichten gegeven: leven met een open hart vanuit onvoorwaardelijke Liefde is de enige manier van leven om een vredig en gelukkig bestaan te hebben. Ik wacht daarmee niet tot mijn dood. Het tweede inzicht is dat NU de enige realiteit is.



Page 4 of 4

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén

%d bloggers liken dit: