Liesbeth Steur

lerares hatha-yoga en schrijver

Category: Verhalen verteld Page 1 of 38

Een chip in je hoofd

[português]  [English]

Heel, heel lang geleden woonden we in kleine gemeenschappen. De vrouwen spraken elkaar bij de waterbron waar water werd gehaald en de was gedaan en op zondag kwamen onze families bij elkaar in het park. De kinderen speelden, wij wisselden nieuwtjes uit. We wisten veel van elkaar en waren op de hoogte van wat zich buiten het dorp afspeelde, voor zover we daar belang bij hadden. Kwam er een vreemdeling het dorp binnen dan werd hij met argusogen bekeken. De betrouwbaarheid werd bij voorbaat in twijfel getrokken. Een buitenstaander moest zijn best doen om geaccepteerd te worden. Wij dorpelingen waren wakker en lieten ons geen knollen voor citroenen verkopen.

Heel lang geleden verscheen het gedrukte woord. Boeken en kranten en tijdschriften. We konden ineens zelf bepalen welk nieuws we binnenlieten. In onze hoofden en huizen. Niet zomaar werd alles geloofd dat geschreven stond. We namen de tijd om met anderen van gedachten te wisselen over wat we lazen en om zelf na te denken over alle informatie en zo vormden we een mening. Wat ons niet aanstond bleef buiten de deur.

Lang geleden verscheen de radio. In bijna ieder huis kwam informatie binnen zonder de voordeur uit te gaan of zonder ook maar iemand binnen te laten. Zomaar, zonder bellen of kloppen was het midden in de kamer. Het waren in eerste instantie alleen overheidszenders en dat maakte de informatiestroom eenzijdig. Ze kon allerlei sprookjes vertellen en gekleurde informatie verschaffen zonder enige toetsing op waarheid door ons. Het was zo magisch dat we een bijna blind geloof ontwikkelden in wat er uit de radio kwam. We gingen nog wel naar het park hoor en spraken over het nieuws uit de radio. Een kritisch mens had het lastig want hij was de uitzondering in onze eens zo hechte gemeenschap. Toch waren er nog genoeg die zelf actief nadachten.

Nog niet zo lang geleden kwam de televisie. De overheid kon nu via beelden laten zien wat ze wilde. Niemand ging meer naar het park om te praten met elkaar, over elkaar en de wereld. De beeldbuis deed zijn werk en doet zijn werk nog steeds. We vonden het heerlijk om TV te kijken. Het vertraagt namelijk de hersengolven naar de alfastaat, dezelfde staat die ons bereikt als we slapen. En in die slaapstand stroomt er allerlei informatie ons hoofd in. We dachten dat we dat toch allemaal weer zouden vergeten en dat blijkt niet waar te zijn. Wij mensen slaan al die informatie gewoon op. Ergens. Als software. Het komt pas boven wanneer de situatie daarom vraagt. TV kijken is fysiek verslavend, want we worden er rustig van en inactief.

Pas geleden kwamen internet en de beeldschermen. De informatiestroom groeit en groeit. Welk schermpje we ook oppakken, altijd is er soelaas voor onze fysieke addictie. Iedere keer een quick fix. Het is troostend, het is een vlucht uit de werkelijkheid, het vult ons leven en het kost allemaal weinig inspanning. Het blinde geloof in wat ons wordt voorgeschoteld is een feit. Is er nú iemand met een andere mening – iemand die kritisch nadenkt – dan is hij het buitenbeentje dat er niets van begrijpt. Want stel je voor dat we wakker worden uit die trip en we realiseren ons dat we slaaf zijn geworden van het consumentisme en meer.

In de nabije toekomst zullen de kinderen van nu snakken naar een chip in hun hoofd, zodat ze geen device meer hoeven vast te houden of op te laden en alleen maar hoeven te luisteren naar wat ze wordt ingefluisterd. Ze hoeven niets meer te leren want Wikipedia zit in hun hoofd. Leren in de gemeenschap is ook verleden tijd; de hele opvoeding wordt gestuurd door degenen die de chip beheren. Toch veel makkelijker dan het controleren van het volk via een beeldbuis in ieder huis. 1984 is achterhaald.

Wanneer je tot hier hebt gelezen kun je zeggen dat ik een pessimist ben. Dan zeg ik dat de tijd is aangebroken dat je jezelf wakker schudt. Leg je schermpje weg en kijk om je heen. Vraag je af wat je hier doet in dit leven. Wat is de essentie? Realiseer je wel dat wakker worden zo lastig is als afkicken van een drugs- of alcoholverslaving en misschien nog wel zwaarder. Succes. Het is de moeite waard!

Het lepeltje

[português]  [English]

In de loop van de ochtend drink ik meestal één glaasje koffie. Formaat grote espresso met wat room. Daar verheug ik me op. En altijd roer ik met hetzelfde lepeltje. Deze, die je op de foto ziet. Mijn la ligt vol met zilveren lepeltjes. Allemaal uit de familie. Deze komt van Coens moeder en misschien wel van zijn oma. Want die woonden net als mijn familie ook in Nederlands-Indië en namen tastbare herinneringen mee.

Dit lepeltje bestudeer ik graag. Ik vind het knap gemaakt. Een plat vlak dat diepte uitdrukt. Een man op een kar die getrokken wordt door acht karbouwen, met op de voorgrond een palmboom. Indischer wordt het niet.

Iedere dag word ik zo herinnerd aan mijn Indische verleden. Ik zie de sawa’s voor me, ik ruik het land, voel de klamme warmte en hoor de geluiden van de tropische natuur. Ik voel het ritme van het land van mijn ouders in mijn buik. Dat is het enige ritme dat synchroon loopt met mij, met wie ik ben. En dat lepeltje fungeert eigenlijk als anker.

Hier, waar ik woon, in het achterland van Portugal ergens in de bergen, heb ik dat lepeltje eigenlijk niet nodig als anker, want het ritme van Portugal loopt synchroon met mijn ingeboren Indische ritme. Te mogen leven met zoveel gemak en met zo weinig prikkels die niets te maken hebben met een natuurlijk leven, is voor mij een zegen. Nog dagelijks kan ik een zucht van verlichting slaken over dit geschenk.

Mijn leven hiervoor was uitstekend. Helemaal zelf gedaan met de ingrediënten die ik van mijn opvoeders en omgeving heb meegekregen. Ik vind het zelf wel een knap staaltje werk. Ik heb alle mogelijke talenten ontwikkeld, kinderen opgevoed, de kost verdiend en vele malen ben ik ongezien in het diepe gedoken. Vooral die duiken hebben me veel gebracht. En deze voorlopig laatste duik naar de plek waar ik nu woon, heeft vele openbaringen gebracht. Ik ken mezelf beter dan ooit en ben in staat om in mijn Indische ritme te blijven en verder te groeien naar een bewuster mens.

Voor mij was het praktisch onmogelijk om die groei door te maken in een omgeving waar de natuur ver te zoeken is. Waar de economische en digitale druk zo hoog is dat er geen tijd meer over is om wat je noemt tot jezelf te komen.

Ja, zogenaamd. Dat wel. Een weekendje naar de hei, fietsen, een strandwandeling. Wat je ook doet. De druk blijft. En natuurlijk is de mens sterk genoeg – in de meeste gevallen – om daarmee te dealen. De vraag is alleen: waarom zou je?

Ik zie hier jonge mensen met kleine kinderen die bewust uit de grote stad zijn weggegaan om zich hier te vestigen. Met weinig middelen, zonder enige zekerheid en uitermate creatief in het verdienen van wat geld om te kunnen leven. Het is een verademing. Er is tijd om te leven. En het grappige is dat iedereen dat moet leren. Eerst ligt het tempo nog hoog en de Portugese mentaliteit is het beste hulpmiddel om te leren vertragen. De locals hebben nooit haast.

Mijn verleden is mijn heden. Het oude lepeltje dat de wereld rondging, roert langzaam mijn bruine koffie en witte room tot een homogeen Portugees glaasje koffie.

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo On Tuesday, een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

Tante Willy

[português] [English]

Mijn tante Willy was geen echte tante. Ze was wat je noemt een Indische tante. En dat zijn tantes die geen bloedeigen familie zijn en wel zo worden beschouwd. Tante Willy overleed heel lang geleden. Ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Ze woonde toen in een huurflat helemaal aan het einde van de Laan van Meerdervoort in Den Haag. Vanuit de stad voorbij het Savorin Lohmanplein aan de linkerkant. Ik kwam daar wel eens met mijn moeder. Gingen we thee drinken bij haar. Ook was zij altijd op de koempoelans van de verjaardagen bij ons thuis.

Tante Willy was een tanige, rijzige vrouw met parelmoer gelakte nagels waar ribbeltjes in zaten. Vroeger had haar man een baan op een suikerfabriek niet ver van Bandoeng. Hun kinderen, zoals de meeste kinderen van mensen die op ondernemingen werkten, zaten in de kost in de stad Bandoeng om daar naar school te gaan. Toen de crisis uitbrak begin vorige eeuw, raakte haar man zijn baan kwijt en kwamen ze in Bandoeng wonen. Mijn grootvader Wim regelde een huis voor het gezin en hielp met geld. Want uitkeringen of een ander opvangnet bestond toen niet. Tante Willy begon meteen een kosthuis voor kinderen van ondernemingen. Er moest per slot geld verdiend worden.

Mijn moeder die goed bevriend was met de kinderen van tante Willy vertelde altijd dat zij wel een cipier leek. Ze liep met een bundel sleutels aan haar ceintuur en was behoorlijk streng voor de kostgangers en haar eigen kinderen Klein en Broer. Dat kon ik me best voorstellen als ik haar zo bestudeerde.

De Tweede Wereldoorlog kwam en ging. De Japanse bezetting werd doorstaan en Tante Willy kwam ook in Nederland terecht. Zonder man.

Wel met wat schamele bezittingen. Waaronder deze bank. Die stond altijd in de hal van het kosthuis, vertelde mijn moeder eens. En nu daar op de flat aan de Laan van Meerdervoort stond hij in de kamer. Met kussens, rommeltjes en tijdschriften erop. Het was het pronkstuk van de kamer. Het was er heel Indisch. Met sarong aan de muur en overal Indische snuisterijen. Maar die bank sprong in het oog. Tante Willy zat er nooit op. Ze had een hoge stoel met een rond tafeltje ernaast en in de kamer schemerde het altijd, op welk tijdstip je ook binnenliep.

Na haar dood stond de bank ineens bij mijn moeder thuis. Die had ze geërfd. Klein en Broer hadden geen interesse. Voor mijn moeder was het een herinnering. Aan vroeger. Niet om lekker op te zitten want zo comfortabel is die bank niet. Bij mijn moeder stond de bank prachtig met erboven aan de muur twee beeldschone panelen van djatihout en ingelegd met parelmoer. Had ze gekocht op een veiling ter restauratie.

Na de dood van mijn moeder kwam de bank naar mij. Mijn zus Patricia had geen interesse en ik kon ook geen afscheid nemen van dit stukje geschiedenis. Hij heeft altijd in de weg gestaan bij mij en tot mijn grote spijt past hij eigenlijk niet in mijn huis waar ik nu woon. Maar ik heb extreem veel geluk. Want mijn zus Patricia heeft hier een huis gekocht dat gemaakt lijkt te zijn voor de Indische bank. Dus nu komt het pronkstuk bij haar te staan en kan ik er naar komen kijken en op gaan zitten wanneer ik wil.

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo On Tuesday, een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

Rijbewijs


Al heel vaak heb ik mijn rijbewijs verlengd of vernieuwd en altijd zit daar voor mij een lichte spanning. Niet negatief hoor. Meer een spanning die je voelt als je examen moet doen. In mijn achterhoofd speelt de vraag: zou ik wel een nieuwe krijgen?

Dat is natuurlijk nergens op gebaseerd. In mijn geval. Een gang naar het stadhuis of stadsdeelkantoor, aanvraag doen en wachten op bericht dat het nieuwe bewijs klaar ligt. En toch…

Dat rijbewijs is voor mij belangrijk. Al vanaf mijn achttiende. En ik hoop het te mogen behouden zolang als ik leef. Het symboliseert vrijheid. Ik kan gaan en staan waar ik wil. In de hele wereld. Mijn moeder had hetzelfde. Op haar negentigste moest haar rijbewijs worden verlengd na keuring van de arts. Ik was daarbij. Ze doorstond de test met glans. Een overdreven test trouwens.

Tien kniebuigingen maken. Dat kon ze, mijn moeder. Volgens mij zijn er heel veel jongere mensen met een rijbewijs die daar niet toe in staat zijn. Maar soedah. Ze heeft gereden tot op het laatst van haar leven. Uitsluitend in de stad en ze deed het goed. Haar bewegingsvrijheid was haar heilig.

Nu woon ik op het platteland met schaars openbaar vervoer. Dus het rijbewijs is nu helemaal heilig geworden. En ja, ook hier moet ik dat plastic kaartje vernieuwen. Nee, niet vernieuwen. Ik moet mijn Nederlandse rijbewijs dat eind van het jaar verloopt, inleveren voor een Portugese versie. En ik moet gekeurd. De Portugese versie moet ik vanaf nu iedere twee jaar verlengen, omdat mijn leeftijd dat vereist. Ook goed.

Wat anders is, is dit. Bij de aanvraag op het “verkeerskantoor” in de stad wordt daar op dat kantoor ook een pasfoto genomen. Heel praktisch. Je hoeft nergens anders naar toe. Het kantoor is wat vervallen en het meubilair ook. De dames die er werken daarentegen zijn kwiek, bijdehand en hebben improvisatietalent. Van de balie wordt ik geleid naar een kantoortje. Klein. Sleets bureau met dito stoel, old school pc, een kast voor ordners en aan de andere kant van het bureau een stoel tegen de muur gewrongen. TL licht. Op de muur, achter de stoel, is een stuk wit papier vastgeniet. Ik mag op de stoel plaatsnemen. De glazen deur die het kantoortje van de cheffin verbindt met de balie, laat fel licht binnen. Ik zie trouwens nergens een fotocamera. Wel een dingetje dat met een kabeltje aan de pc vastzit. Daarmee gaat het gebeuren. De dame in kwestie doet haar best. Het licht is niet goed. Iedereen wordt gemobiliseerd. De lamellen van de hal waar de balie is, moeten dicht. Het duurt even voordat ze aan het juiste touwtje trekken. De lamellen draaien dicht. Het licht is beter. Ze klikt. De cheffin kijkt mee want ze kan toch niet verder werken op haar computer. Na twee keer klikken verschijnt op beide gezichten een grijns. Het is gelukt. Prachtfoto. Ik mag hem zien, en denk er het mijne van.

Terug bij de balie reken ik dertig euro af voor het nieuwe rijbewijs en ik krijg mijn Nederlandse niet terug. Dat is ook anders. Mijn alarmbellen beginnen te rinkelen. Binnen twee maanden – wordt me beloofd – is de Portugese versie klaar.

Ja? Hoe dan?

Ik krijg een papiertje waarop staat dat ik mag rijden. In Portugal. Geldig tot eind augustus. Als dan het rijbewijs er nog niet is, moet ik terug om het papiertje te verlengen. Ik kan dus niet rijden in Spanje (kan dus niet tanken daar, naar de markt of andere dingen doen) en in geen enkel ander land.

Wat nou, vraag ik, als ik voor een noodgeval naar Nederland moet?

Dan, zegt de vriendelijke dame, kom je hier je Nederlandse rijbewijs even ophalen en als je dan weer terug bent, lever je je rijbewijs hier opnieuw in en krijg jij dat papiertje terug.

Ik kon het niet nalaten een foto te nemen van dat moment.

Ik berust. Ik heb vertrouwen. Alles is goed. Dat is mijn mantra voor de komende maanden.

Deze foto is gemaakt in het kader van de #PHOT Photo On Tuesday, een blogexperiment van Karin Ramaker. Een vrije foto-opdracht: een zelfgemaakte foto, zonder thema met of zonder begeleidende tekst, maar wel mét een titel.

Page 1 of 38

Powered by WordPress & Theme by Anders Norén

%d bloggers like this: