Onze boerderij vanochtend om 9 uur.

Oh die prachtige winterdagen hier. Die verhogen de schoonheid van de natuur en veraangenamen mijn leven op ongekende wijze. De diepe rust van zo’n dag maakt mijn hoofd stil.

De “long read” die hier volgt speelt zich af op zo’n winterochtend in 2006.  Dit verhaal schreef ik op 12 december van dat jaar, toen we op onze eerste “Tour of Duty” waren op het Iberische schiereiland. Voor wie het niet weet: wij woonden hier eerder van 2005 tot 2011. Alvorens ons toen te vestigen in Portugal in 2006 deden we woon- en werkervaring op in Extremadura, Spanje, aan de andere kant van de grens. We hadden een makelaardij en dit verhaal stamt uit die periode.


“Koffie?”

“Graag, met melk.”

“Coen en jij? Met suiker en een chupito er in?” Paco kijkt Coen aan met een twinkeling in zijn blauwe ogen.

“Ja, doe maar aguardiente.”

Ik zucht.

Hotel Ibérica, Valencia de Alcántara

Het is zondagochtend acht uur. We staan aan de bar van Hotel Ibérica, samen met wat jagers die laat zijn. Onze Spaanse BV voor de makelaardij is in oprichting en de aandeelhouders zijn aan het werk. We zijn dus serieus in zaken gegaan. De website gaat deze maand de lucht in. We verzamelen hier bijna iedere zondagochtend. Zondag is de enige dag dat de kapperszaak van Paco gesloten is en we gezamenlijk kunnen gaan praten en onderhandelen met boeren die hun land en huis willen verkopen.

Peluqueria Paco 2009

Na de koffie nemen we afscheid van de jagers die hun jachtgeweren nonchalant over de schouders dragen of op de grond hebben gezet tegen de bar aan. Ze lijken sterke verhalen te vertellen, maar die interpretatie van de luide discussies boven het geluid van de televisie uit kan een vergissing zijn van mij. Er worden nog wat grappen gemaakt en dan stappen we in de turkooizen Fiat Panda van Paco. Het is een heel oude Panda die niet onder doet voor een jeep. De Panda gedraagt zich prima op de hobbelige zandpaden vol gaten. Vaak nog beter dan een moderne 4WD vanwege zijn lage gewicht. De Panda loopt zelden vast in de modder. De auto is schoon en opgeruimd. De stoelen zijn bekleed met veelkleurige katoenen kleedjes. Achterin liggen Paco´s attributen voor het landleven en de jacht: laarzen, wandelschoenen, gedroogde bossen geneeskrachtige kruiden, een zonnehoed, munitie en een groot jachtgeweer. De auto ruikt naar rozemarijn. We praten Spaans en Duits door elkaar. Paco spreekt langzaam en gearticuleerd. Hij legt op allerlei manieren uit wat hij wil vertellen. Doet er alle moeite voor dat we elkaar begrijpen. Na een tijdje rijden op de nationale weg slaan we een zandpad in. Paco rijdt rustig en wijst op van alles dat hem voor ons interessant lijkt.

“Wat gaan we vandaag eigenlijk doen?” vraag ik. Het programma is altijd een verrassing. Paco schrijft het scenario voor zo´n dag, maar de regie is niet Noord-Europees. Hij heeft wel verteld wat we ongeveer gaan doen en dat was gisteravond. Meestal betekent hier een nieuwe dag ook nieuwe kansen.

“Oh, ik heb een afspraak gemaakt met Emilio. Hij is de eigenaar van de bar in Aceña. Je weet wel die zo rustiek is verbouwd door zijn zoon José-Luis die de bar ook runt. Het heet weliswaar nog steeds naar zijn vader: Ça Emilio. Hij heeft een huis te koop in een gehuchtje dat uit ongeveer acht huizen bestaat. Hij zou de andere eigenaren optrommelen. Die willen allemaal verkopen. Dus een heel dorp met grond. Dat leek me een prachtkans.”

La Huerta Chica (De kleine moestuin)

We praten verder over de mogelijkheden van zo´n dorpje en de illusie is geboren.

Het is het mooiste winterweer van de wereld. Strakblauwe, kurkdroge wintersport lucht met schel licht van een zon die wel warmte geeft. Nu is het nog een paar graden boven nul maar straks rond twaalven is het vijftien graden of meer. De tocht voert langs ommuurde landerijen, bossen met kurkeiken en olijfboomgaarden. Het pad wordt smaller en smaller door de wildgroei van de bramen. Het is lang niet gebruikt. De weg is te overwoekerd om verder te rijden dus parkeren we de auto vlakbij het gehucht en stappen uit.. Het is windstil. De vogels maken het enige geluid. De lucht knispert in mijn neus. We lopen naar het groepje huizen. Het zijn twee rijen ruïnes die schuin achter elkaar liggen. Een broodoven staat er tussen in. Die was voor algemeen gebruik. De alberca (betonnen wateropslagbak) staat vol water.

De brommer van opa

De citrusbomen dragen vrucht ondanks hun verwaarlozing. We plukken sinaasappels en mandarijnen als ontbijt. We lopen over de velden achter de huizengroep en volgen de waterader. De bron ligt iets naar boven. Paco vertelt van alles over de plantengroei, de bomen, over hoe de mensen hier vroeger met hele families leefden en de kost verdienden. De lege schuren zijn stille getuigen van de voorraden die hier eens lagen. Voorzichtig gaan we de ruïnes binnen.

De ruïne van Emilio

De half ingestorte daken, rondvliegende vleermuizen, spinnenwebben en andere bewoners maken dat we goed uitkijken. Wanneer we alles hebben gezien, zoeken we een plekje in de zon. Emilio en zijn kornuiten zijn er nog niet. We eten ons ontbijt. De sinaasappels zijn bitterzoet. De smaak explodeert in mijn mond. Het lange wachten wordt onderbroken door de schietoefeningen van Paco en Coen.

Schietoefeningen

Dan verschijnt Emilio met twee andere eigenaren. Hij draagt een grote bril met sterke plusglazen. Hij praat snel en, Extremeño. Paco vertaalt. Ik leer. Ja, de huizen zijn te koop. Niet allemaal. Er is één eigenaar die dwars ligt en die heeft nou net van een rijtje de tussenliggende huizen in bezit. Geen enkel detail blijft onbenoemd. De bomen, de geschiedenis, de moestuin, het water, de eigen bron en niet te vergeten de locatie zo vlakbij het dorp.

Bij iedere aanprijzing horen we de prijs stijgen.

“Is er licht? Is er telefoon?” vraag ik langs mijn neus weg.

“Nee, nog niet. Maar het is vlakbij en heel makkelijk hier naar toe te brengen. Dat kost niet zo veel.”

“Wat is de prijs?” vraag ik aan Paco.

Paco doet navraag. Heel omzichtig.

“Wat vind jíj het waard?”

We praten wat heen en weer. Coen weet meestal de waarde goed te schatten. Niemand wil eigenlijk een prijs noemen, dus gooit Coen op het juiste moment een balletje op. Ze gaan meteen in protest. Het is te laag, het is veel en veel te weinig. Of we wel weten wat dit allemaal voor waarde heeft.

“Zonder elektriciteit, zonder telefoon, zonder ADSL? Zonder behoorlijke toegangsweg?” zegt Coen.

“Dat zijn belangrijke zaken voor buitenlanders die hier willen wonen. En ook voor Spanjaarden die een tweede huis zoeken.”

Als Coen is uitgepraat en Paco heeft vertaald gaat Emilio onverstoorbaar door met zijn betoog.

“Mijn grootouders hebben dit opgebouwd. Grootvader kon een stukje land kopen na lang sparen. Onze ouders zijn hier geboren en getogen en wisten het te behouden ondanks de armoede en dankzij de smokkel. Ook wij zijn hier opgegroeid. We hebben op het land gewerkt. We verbouwden kikkererwten, bonen, graan en nog meer. En kijk, hier. Hier was de moestuin. De aardappelvelden en daar, kijk daar! Daar staan alle fruitbomen. Hier, kom mee. Proef hoe heerlijk die sinaasappels zijn en ´s zomers, je moet hier van de zomer komen dan zijn de vijgen overheerlijk. Die vind je nergens zo. Weet je. We liepen van hier naar school. Dat was een uur heen en een uur terug. Ook in de regentijd. Dan regende het de hele dag, weken achter elkaar. We waren arm en hadden maar één paar schoenen. We liepen dan op blote voeten, ook in de winter en deden pas op school onze schoenen aan. Nee, regenjassen hadden we ook niet. En als het lente werd dan moesten we helpen op de velden. In de zomer waren we rijk. Er was dan veel eten voor iedereen. En later, toen de vraag naar de producten verdween en wij, jonge mannen, werk kregen bij de aanleg van de pantano (het drinkwaterreservoir) van Valencia de Alcántara kwamen we hier alleen nog maar voor de moestuin. We konden een appartement kopen in het dorp. Hoog en droog. Snap je nu waarom het zoveel waard is?”

We knikken. Paco beaamt alles tijdens het vertalen. We drukken de mannen op het hart dat we het heel goed begrijpen, bedanken uitvoerig en nemen afscheid. Als we in de Panda stappen is het drie uur later. We zijn een ervaring rijker en dit dorp komt niet in de verkoop.

“Was het normaal dat de mensen hier smokkelden?” vraag ik als we eenmaal rijden.

“Ja, ik heb ook gesmokkeld”, begint Paco.

“Hoe kan dat nou, je bent pas vijftig. Werd er toen nog gesmokkeld?”

“Ja, jazeker. Het was hier armoe troef. Je kunt je dat niet voorstellen hé, dat het zo kort geleden was. We hadden echt honger. We gingen na de lagere school ook niet door met leren. Iedereen in de familie moest geld binnenbrengen. Ik was veertien toen ik voor het eerst mee mocht met mijn vader”, vervolgt hij.

La Sierra Fría vormt de grens met Portugal

“Dat ging te voet door de Sierra Fría naar Portugal, naar de dichtstbijzijnde grote stad Portalegre op zo´n dertig kilometer van hier. Daar kochten we luxe producten, koffie, thee en sigaretten. Meestal hadden we een ezel bij ons die de last droeg. En alles gebeurde in de nacht. In de Río Sever, de grensrivier, waren doorwaadbare plaatsen. In die jaren zestig regende het vaker en stroomde er meer water door de rivier dan nu. Dat maakte het oversteken in de winter lastig. Wanneer we veilig thuis waren, werden de jonge jongens, vanwege hun lengte, met de smokkelwaar naar Cáceres gestuurd, dat is toch bijna honderd kilometer reizen.

Dat was drie nachten lopen over de heuvels en door de velden. Overdag lieten we ons niet zien. Verstopten we ons in het koren of achter de grote, oude kurkeiken. De Guardia Civil stond overal op de uitkijk. Als je gepakt werd kreeg je er ongenadig van langs. We waren dus zo waakzaam als de pest.

Eenmaal in Cáceres verkochten we alles voor een goede prijs en dan moesten we weer terug naar huis. En de hele weg op blote voeten. Toch prijsde je jezelf gelukkig als je in de grensstreek woonde. Er was altijd een beetje inkomen waarmee onze ouders een stukje grond konden kopen om zelf eten te verbouwen. Toen de situatie echt nijpend werd, vertrok mijn vader naar Frankrijk om te werken als gastarbeider en later ging hij naar Duitsland. Ik ging door met smokkelen. Mijn jongere broertje en zusje waren nog te klein om mee te helpen, die mochten nog naar school. En op een dag ging mijn moeder naar mijn vader toe. Wij bleven bij opa en oma.

Ik was toen zestien en na het vertrek van mijn moeder zag ik mijn kans schoon om op avontuur te gaan.

Naar Madrid. Maar zelfs op afstand bestierde mijn moeder het gezin nog. En dat zonder internet en mobiele telefoon. Ik moest naar Duitsland komen. En ja, moeder is heilig. Daar heb ik zes jaar gewerkt in fabrieken en kwam terug als een rijk man. Met wat je nu noemt een surfbusje. Met stickers van Che Guevara. Met de spirit van de seventies. Met heel lang haar. Het dorp was te klein voor me, toen. Daarom ging ik naar Barcelona om te werken en mijn kappersdiploma te halen. Eenmaal weer terug in het dorp kwam ik Toñi tegen. Ze was jong, mooi, lief en onder de indruk van mij. Ik wilde met haar trouwen en naar Ibiza verhuizen. Daar gebeurde het tenslotte.

Een kapperszaak met haar samen voor de rich and the famous, dat was mijn droom.

Maar zij wilde niet weg bij haar moeder. We trouwden en trokken vanzelfsprekend bij haar moeder in. In het huis achter de arena. Haar vader was jong gestorven en moeder had in haar eentje de twee kinderen grootgebracht en de churrería, de populaire coffeeshop waar je churro´s ontbijt met café con leche, draaiende gehouden; later met behulp van de twee kinderen. Ik was verliefd. We kregen kinderen. Toen ben ik hier in het dorp mijn eigen kapperszaak begonnen en heb ik Toñi opgeleid. De churrería ging naar haar broer en zijn gezin. We hebben nu ieder een eigen zaak daar boven, op dezelfde etage. Zij voor vrouwen ik voor mannen. Kom maar eens kijken.” Hij wijst naar boven, naar een pand naast Hotel Ibérica waar we inmiddels weer staan geparkeerd.

“En woon je nog steeds achter de arena?”

Paco zucht.

“Ja, nog steeds.”

“Toe nou! Al 25 jaar bij haar moeder in huis?”

“Nee, niet in huis. We wonen boven haar. Zij woont beneden. Er is een grote patio waar aan de andere kant het huis staat van mijn zwager en zijn gezin. En echt ik heb alles geprobeerd maar ze wil niet weg bij haar moeder.”

Valencia de Alcántara

Het is ongewoon druk op de Paseo. Overal staan dure auto´s geparkeerd. Het lijkt wel de PC in Amsterdam. De bar van Hotel Ibérica staat vol met chique jagers uit Madrid. Ze lijken zo uit een reclamecampagne van Barbour te zijn gestapt. De jacks en bodywarmers zien er nieuw uit, hoewel als ik goed kijk, ontwaar ik bij sommige jagers bloedspetters. Hun prachtige handgemaakte leren laarzen kunnen weer worden gepoetst en de hoeden mogen terug aan de kapstok. Tot het volgende weekend.

We bestellen een wijntje, krijgen tapas erbij, praten mee en ik loop nog snel naar de krantenwinkel om voor sluitingstijd mijn Spaanse zondagskrant te kopen die ik later op de middag met behulp van een woordenboek spel.